Na het duel tegen Bouke Bies, dat mij in Parijs van de eerste naar de twaalfde plaats deed duikelen, kwam het loodzware duel tegen internationaal grootmeester Guinard. Nogal naïef ging hij in op de Kellervariant. Niet wetende, dat ik dit systeem met beide kleuren reeds vele malen op het bord heb gehad. Zwart komt gewonnen te staan, maar vergist zich in een soort Ghestemdoorstoot op de andere vleugel. De partij had remise moeten lopen, maar in tijdnood overzag wit, dat een gedwongen zet van mij tevens een dreiging was.

 

Guinard,L. - Luteijn,F. Paris, 08-06-1986
1.34-29 18-22 2.40-34 12-18 3.45-40 7-12 4.50-45 20-25 5.35-30 19-23 6.32-28 23x32 7.37x28 16-21 8.41-37 21-27 9.28-23 1-7 10.31-26 27-31 11.36x27 22x31 12.46-41 31-36 13.37-32 11-16 14.42-37 7-11 15.40-35 17-22 16.48-42 14-20 17.30-24 9-14 18.44-40 4-9 19.32-28 11-17 20.49-44 22-27 21.37-31 25-30 22.31x11 30x19 23.34-30 6x17 24.30-24 19x30 25.35x24 20-25 26.41-37 14-20 27.39-34 18-22 28.23-19 13-18 29.44-39 9-13 30.37-32 22-27 31.32x21 16x27 32.28-22 17x28 33.33x31 36x27 34.42-37 27-31 35.37-32 31-36 36.39-33 12-17 37.33-28 18-22 38.38-33 13-18 39.43-38 2-7 40.40-35 8-12 41.45-40 3-8 42.35-30 22-27 43.32x21 18-23 44.29x18 12x43 45.21x3 20x38 46.34-29 25x14 47.3x48 10-14 48.26-21 38-42 X
 

Om mijn tegenstander niet schichtig te maken besteedde ik nogal wat tijd aan de opening. Allerlei openingsvraagstukken werden nog eens door de molen gehaald. Er zijn nogal wat niet onderzochte vertakkingen in deze modevariant. Krijn Toet heeft mij jaren geleden geleerd, dat het verstandig is om 1.34-29 met 18-22 te beantwoorden. Op 2.32-28 kan dan met 2...16-21 met scherp spel. Na 1.34-29 17-22 2.32-28 11-17 3.37-32 ontstaat een variant uit de 1.32-28 18-22 opening, waar je als zwartspeler niet echt op zit te wachten. De reden om je met zwart met het gat op 7 i.p.v. 6 op te stellen is terug te voeren op de partij Sijbrands - Korchow en de achterloop 9.37-32, die nu beantwoord kan worden met 14-19-23 en kansen.

 

Diverse afwijkingen en sabotagemogelijkheden uit de gewone Keller hebben (nog) geen ingang gevonden in de varianten met gewisselde kleuren. Slechts tien witspelers (op 103) hebben hier ooit 9.30-24 gespeeld. De meeste gingen na 9...14-20 verder met de afbraakactie 37-32. De enige, die constructief verderging werd als volgt ingeblikt:

 

Baerends,S. - Giphart,J. NLD-ch open Brunssum, 14-07-1987
9.30-24 14-20 10.46-41 9-14 11.31-26 27-31 12.36x27 22x31 13.28-23 1-7 14.40-35 31-36 15.44-40 14-19 16.23x14 10x30 17.35x24 3-9 18.49-44 9-14 19.33-28 14-19 20.38-33 19x30 21.42-38 30-35 22.37-32 17-22 23.28x17 11x22 24.26-21 13-19 25.48-42 25-30 X.
 

Na 13.28-23 is het al zo'n beetje gebeurd door allerlei kleine en grote finesses. In diagram 2 kan alleen 14.41-36 nog. Zowel 14...11-16; 17-21 als 14...14-19 15.23x14! gaan nog wel voor wit. Zwart doet er verstandig aan op te vangen met 14.41-36 17-22 en te wachten op betere tijden. Een ander aardig voorbeeld met een soort 'mataanval' is:

 

Bruijn,de,G.L. - Bremmer,W. UTR-Eemland, 15-04-1997
9.30-24 14-20 10.46-41 1-7 11.28-23 9-14 12.31-26 3-9 13.40-35 13-19 14.24x13 8x28 15.44-40 20-24 16.29x20 15x24 17.37-31 11-16 18.41-37 2-8 19.37-32 28x37 20.33-28 22x44 21.31x22 44-50 22.42x31 50x11 23.34-30 25x34 24.40x20 14x25 25.26-21 =

 

In diagram 3 heeft wit geen enkele speelbare zet meer. Op 13.37-31 volgt de afwikkeling 27-32, 22-28 etc. Na 13.37-32 zit 22-28 en 13-19 erin. Op 33-28x28 neemt zwart de afwikkeling 14-19 en 4-9x50 X. Truus geeft aan dat na de schijfwinst het stugge 17...14-20! handiger is als zwart ook echt wil winnen.

 

In diagram 4 moet een belangrijke beslissing worden genomen. Na 13...17-21 14.26x17 11x22 15.41-37 7-11 16.40-35 11-17 17.30-24 6-11 18.24-19 wint wit een stuk. Daardoor loopt de zwarte omsingeling niet lekker. Na 13...14-20 14.42-37 17-21 15.26x17 11x22 16.32-28 7-11 17.28x17 11x22 18.30-24 is het opspelen van schijf 6 langdurig verhinderd door het hielslagje 24-19; 37-31 en 38-32x42x6. Na 18...9-14 19.40-35 14-19 20.23x14 10x30 21.35x24 en vroeg of laat 13-19x19 wint zwart enorm veel tempi, maar wit houdt overwicht in het centrum. Voor deze ruil manoeuvres is het handiger om de witte schijf 26 op het bord te houden.

 

Opgemerkt werd, dat na 13...14-20 14.42-37 11-16 15.32-28 7-11 16.37-32 zwart niet meer tot het gewenste 17-22x22 komt. De voor de hand liggende zet 13...14-20 14.42-37 11-16 15.32-28 18-22 faalt op het zetje 16.23-18; 37-31 en 29-24x1 X. Andere zetten zoals 10-14 blijken nog redelijk te gaan voor wit. Zie verder de analyse van de partij Luteijn - Rijkaart.

 

De cruciale kwestie in al dit soort Kellerposities is of de ruil 34-30x30 er onder een beetje redelijke omstandigheden uitkomt. Het is in het algemeen niet prettig deze ruil voor te moeten bereiden met 44-40 en 49-44, zoals in de partij. In diagram 6 besluit wit tot de zet 18.44-40. Een belangrijk alternatief is 18.32-28. Na 18...11-17 19.37-32 22-27 20.32x21 16x27 21.34-30 25x34 22.39x30 is het gelukt om de korte vleugel te bevrijden en staat wit bevredigend.

 

In de partij had ik welbewust veld 17 opengelaten. Na 18.32-28 kan zwart nog laten slaan. Na 18...4-9 19.28x17 11x22 20.38-32 staat wit goed. De opmars van schijf 6 is geblokkeerd. Na 20...22-28 21.33x22 18x38 22.43x32 heeft zwart erg veel nutteloos materiaal op de lange lijn. De aanval 22...14-19 etc. is alleen een optie als zwart remise wil maken. Een ander idee is 18.32-28 14-19 19.23x14 (of?) 10x30 20.35x24 5-10 21.28x17 12x21 22.26x17 11x22 23.38-32 Zwart kan nog steeds geen 6-11 spelen. Na 23...4-9 24.45-40 zal hij niet graag de afwikkeling 33-28x38x12 toelaten. Op 24...8-12 25.32-28 lijkt wit zijn aanval te kunnen handhaven.

 

Een zeer weinig gespeelde zet is 18.32-28 22-27?!? Het lijkt geen verschil te maken met de eerdere varianten, omdat zwart op 19.37-32 geen geschikt tempo heeft. Tenminste als we 19...11-17 20.34-30x30 als minder geslaagd beschouwen voor zwart. Truus probeert nog 19...18-22 20.28x17 12x21 21.26x17 11x22 22.32x21 16x27 23.23-18 =. Na 19...4-9 20.32x21 16x27 21.34-30 25x34 22.39x30 20-25 23.44-39 25x34 24.39x30 18-22 25.28x17 11x22 26.43-39 14-20 27.39-34 13-18 28.41-38 20-25 dreigt 15-20. Op 29.24-19 10-14 30.19x10 5x14 gaat de strijd verder.

 

Op de club kwam Edwin Torn in diagram 6 met de opmerking, dat  de variant  21.41-37 11-17 22.37-32 6-11 23.32x21 11-16 24.42-37 16x27 25.37-31 18-22!? 26.44-40 14-19 27.23x14 10x30 28.35x24 9-14 29.40-35 5-10 30.49-44 14-19 31.44-40 19x30 31.35x24 10-14 32.40-35 nog hoogst onduidelijk is. De bedoeling is gewoon te blijven wachten tot zwart moet lossen. Bijvoorbeeld 32...14-19 33.45-40 19x30 34.35x24 13-19 35.24x13 8x19 36.26-21 X.

 

Het resultaat van de zet 18.44-40 zien we in diagram 7. Wit ging verder met 18.49-44. Een ondernemende zet. Geen goed alternatief is 18.37-32? vanwege 18...22-27 19.32x21 16x27 X met voldoende en beslissende zetjes. Op 18.38-32 suggereert Truus in plaats van (22-27x27) 37-31 (18-22) 24-19 en 34-30x19 de vastloopvariant 18...16-21 19.42-38 2-7 20.49-44? 14-19 en 7-11 X. Na 18.38-32 16-21 19.42-38 2-7 20.34-30 25x34 21.39x30 20-25 heeft wit niet anders dan 22.40-34.

 

De stand in diagram 8 is vooral bekend met gewisselde kleuren en een tempo verschil. Wit heeft twee zinnige voortzettingen t.w. 37-32 en 37-31. Na 21.37-32 beschikt zwart over 14-19 en 2-7. Na 21...2-7 22.32x21 16x27 23.34-30 25x34 24.39x30 20-25 25.44-39 25x34 26.39x30 7-11 27.43-39 11-16 28.30-25 17-21 29.26x17 12x21 30.23x12 8x17 31.38-32 27x38 32.42-37 gaat het nog wel voor wit. Op 21.37-32 14-19 22.23x14(of?) 10x30 23.35x24 9-14 24.28-23 ontstaat eveneens interessante strijd. Truus geeft het zetje 24...17-21 25.26x17 12x21 26.23x12 8x17 27.41-37(of?) 21-26 28.33-28 6-11 29.28-23 26-31; 13-19; 2-8 en 14-19x48 aan. Grappig, maar het lijkt mij wel wat duur.

 

Op de tweede zet 21.37-31 moet zwart kiezen uit 21...25-30 en 21...27-32. In de partij meende ik, dat vooral 22.28x37 36x27 23.41-36 een probleem zou zijn. Echter 23...14-19 24.23x14 10x30 25.35x24 5-10 is heel erg voor wit. Het lastigste is 26.37-31 37-32 27.38x27 18-23 29.29x7 20x49 30.34-30 25x43 31.7-1 17-21 32.26x17 43-48 33.42-37 +1 Truus geeft daarom in deze variant de voorkeur aan 25...9-14. Maar het blijft ingewikkeld. Voorts adviseert Truus het ruiltje 23.34-30 te spelen nu het nog kan. Na 23.34-30 25x34 24.39x30 20-25 25.44-39 25x34 26.39x30 14-20 27.41-36 kan wit zich wellicht staande houden. Truus adviseert overigens hierna de opmars 27...2-7-11 voor zwart.

 

Guinard bewijst in de rest van de partij waarom hij grootmeester is. Met een welhaast ongelooflijke behendigheid weet hij de problemen de baas te blijven. Bijna dezelfde stelling is bekend uit de gewone Keller. In de stampartij volgde 25...20-25 26.41-37? 14-20 27.39-34 9-14 28.43-29 18-22 29.40-35 25-30; 12-18 en 8-12x41 met dood en verderf. Aangegeven werd, dat de beginzet 26.42-37 deze wending eruit haalt.

 

In diagram 10 begaat zwart een ernstig fout. Hij wisselt de zetten 9-14 en 18-22 om. Na 27...9-14 28.44-39 18-22 29.40-35 13-19 30.24x13 8x19 heeft wit geen behoorlijke zet meer.

 

Koelbloedig heeft Guinard het in diagram 11 niet aan laten komen op de vastloopvariant 41.28-23 7-11 42.32-28 11-16 43.45-40 16-21 44.35-30 21-27 45.40-35 3-8 X. Na het gespeelde 41.45-40! kan zwart de afwikkeling ook een zet eerder nemen. Ik besloot er vanaf te zien, vanwege het witte 19-13 na de afwikkeling. Het gevolg is, dat ik van de regen in de drup kom met 41.45-40 3-8 42.35-30 22-27 43.32x21 18-23 44.29x18 12x43 45.21x1 20x38 46.34-29! wat nog veel erger remise had moeten zijn.