Schiedam - Ten behoeve van het jubileumboek van de WCDA heb ik twee opmerkelijke partijen tegen Iede de Vries voor het voetlicht gehaald. Bij de hekstellingen hebben we reeds het vijf om twee eindspel behandeld, waarin Truus hopeloos de weg kwijt raakte. Truus is tegenwoordig anderszins echt een probleem bij het correspondentiedammen. Ze kan vrijwel alles remise maken. Overwinningen zijn zeldzaam en moeten diep komen. De kunst is om de zwakke punten van Truus op te zoeken. Ze begrijpt weinig van aanval versus omsingeling. Tot het hinderlijke toe blijft ze voorposten ruilen. Hier een partij, waarin beide spelers het helemaal op eigen kracht moeten doen onder een spervuur van nonsens van Truus.
Luteijn,F. - Vries,de,I. Opening 2, 15-08-2000
1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.41-37 6-11 5.46-41 8-12 6.32-28
16-21 7.31-26 21-27 8.35-30 2-8 9.30-25 1-6 10.37-31 19-23 11.28x19 14x23
12.25x14 10x19 13.34-30 23-28 14.40-35 19-24 15.30x19 13x24 16.45-40 8-13
17.40-34 3-8 18.34-30 15-20 19.30x19 13x24 20.33-29 24x33 21.38x29 8-13 22.35-30
20-25 23.29-24 25x34 24.39x30 5-10 25.42-38 9-14 26.43-39 18-23 27.44-40 28-32
28.40-34 32x43 29.49x38 14-19 30.47-42 23-28 31.38-33 19-23 32.30-25 12-18
33.24-20 7-12 34.42-38 28-32 35.48-43 13-19 36.34-30 23-28 37.30-24 19x30
38.25x34 18-23 39.34-30 11-16 40.50-45 12-18 41.45-40 16-21 42.20-15 10-14
43.40-34 6-11 44.33-29 11-16 45.38-33 4-9 46.29-24 9-13 47.43-38 32x43 48.39x48
28x39 49.34x43 13-19 50.24x13 18x9 51.43-39 9-13 52.30-24 23-28 53.39-34 28-33
54.24-20 14x25 55.15-10 25-30 56.34x25 33-39 57.10-5 39-44 58.25-20 44-50
59.20-15 50-39 60.5-14 39-50 61.14-37 50-39 62.15-10 39-34 63.10-5 34-29
64.37-14 29-1 65.14-20 13-18 66.5-28 22x33 67.31x11 16x7 68.20x2 18-23 69.2-24
De
openingtoernooien van de laatste jaren bieden de mogelijkheid de opening over te
slaan en vanaf het allereerste begin een stelling op het bord te brengen, waar
Truus niet al te hinderlijk is.
Ik smaakte het genoegen in een toernooi ook een tweede principiële partij tegen dezelfde
tegenstander tot een goed einde te brengen. De opening heeft zich inmiddels
vaker voorgedaan. Schwarzman heeft er eens Chizhov mee gevloerd.
Diagram 2 heeft zich inmiddels 677 keer voorgedaan. Daarbij gingen 411 witspelers verder met 8.35-30 en 22 wikkelden af met 36-31 naar randschijvenspel. Diagram 3 heeft zich slechts 219 keer voorgedaan. Dat komt omdat de meerderheid van de zwartspelers 27-31x31 speelt. Ook heeft een aantal zwartspelers de zet 8...18-23 gespeeld.
In de diagramstand en later wordt er nog vaak afgewikkeld naar randschijvenspel met 27-31x31. Er is mijns inziens geen enkele reden voor wit om dit uit de weg te gaan. Nu of later dient de zet 37-31 pas gespeeld te worden als het goed is. Zwart krijgt in deze opening een enorme voorsprong in ontwikkeling. Enige behoedzaamheid als witspeler is dan geboden. Gantwarg legt uit, dat er twee principieel verschillende opstellingen mogelijk zijn voor wit in dit soort standen. Enerzijds kan wit zich opstellen met het klaverblaadje 26,31,36. Het is dan de bedoeling de rest van de stukken naar de korte vleugel te brengen om de strijd daar te winnen.
De andere opstelling is het vierkantje 37,41,42,47. Daarvan is de bedoeling een zwart stuk op veld 28 combinatief aan te pakken. Aangezien er al een schijf op veld 41 staat, lijkt hier de laatste aanpak voor de hand te liggen. Voor de zetjes tegen het zwarte centrum is het vereist nooit 37-31 te spelen. In de voorkomende gevallen is gebleken, dat zwart de strijd heeft gewonnen als hij wit door tempodwang, uitputting of 'domheid' aan de andere vleugel zover weet te krijgen dat deze 37-31 speelt. In het verleden heb ik de jongens in het openingentoernooi de stand na 9...19-23 (71 voorbeelden) laten uitspelen. Betreurenswaardig vaak gingen de zwartspelers daarna op de vlucht met 27-31x31. De variant met 9...1-6 10.37-31 is daarom interessanter. Zwart stuurt schijf 1 de verkeerde kant uit in ruil voor schijf 37, die naar het verkeerde veld gaat.
Overigens dient opgemerkt te worden, dat de openingsvariant 9...1-6 vooral gestoeld is op het voorkomen van slappe knieën bij de zwartspeler. Als je geen last hebt van slappe knieën, dan is direct 9...19-23 beter. De meeste witspelers hebben namelijk geen les gehad van Gantwarg en weten niet dat de zet 37-31 er eigenlijk niet bij hoort in deze opening. Een belangrijke voorbeeld is de onderstaande partij. Wit komt gewonnen te staan, maar hij laat de wereldkampioen nog glippen.
Schwarzman,A.
- Chizhov,A. Wch, 02-09-1998
12.33-29 15-20 13.37-31 1-6 14.42-37 9-14 15.40-35 5-10 16.47-42 20-25 17.44-40
4-9 18.50-44 10-15 19.37-32 23-28 20.32x23 19x28 21.29-24 25-30 22.34x25 14-20
23.25x14 9x29 24.40-34 29x40 25.45x34 3-9 26.35-30 17-21 27.26x17 12x21 28.41-37
21-26 29.30-24 9-14 30.44-40 8-12 31.40-35 11-17 32.34-30 6-11 33.39-33 28x39
34.43x34 13-19 35.24x13 18x9 36.38-33 14-19 37.33-28 22x33 38.31x22 17x28
39.37-32 28x37 40.42x31 26x37 41.48-42 37x48 42.30-25 48x30 43.35x4 33-38
44.4-31 11-16 45.31-13 38-42 46.49-43 15-20 47.25x14 42-48 48.43-38 16-21
49.13-19 48-25 50.14-10 21-27 51.19-41 25-9 =
Diagram 4 is de sleutelpositie van de opening. In deze stand is 37 keer 34-29 geruild; 22 keer 34-30 gespeeld en 8 keer 37-31(?). De zet van Schwarzman 12.33-29 is slechts een keer eerder gespeeld. Het is een prachtige zet. Het stelt de aanval op schijf 27 aan de orde. Er zijn slechts drie verdedigers beschikbaar tegenover vier aanvallers. Het gebruikt deze dreiging om naderhand zijn korte vleugel te bevrijden. De enorme zwarte ontwikkelingsvoorsprong verhindert deze te profiteren van de statische witte opstelling aan de korte vleugel. De aanval tegen schijf 27 is ook de bedoeling van de voortzetting 12.34-29 23x34 13.39x30. Een kenmerkend voorbeeld is:
Gantwarg,A. - Berkel,van,A. NLD-chT, 12-03-1994
12.34-29 23x34 13.39x30 5-10 14.30-25 10-14 15.37-31 19-23 16.41-37 13-19
17.47-41 8-13 18.33-29 23x34 19.40x29 19-23 20.37-32 23x34 21.32x21 13-19
22.21-16 22-28 23.41-37 15-20 24.31-27 9-13 25.37-31 17-22 26.27-21 11-17
27.38-33 28x39 28.44x33 1-6 29.43-38 19-23 30.33-29 34-39 31.49-44 23x34
32.44x33 4-9 33.48-43 6-11 34.33-28 22x33 35.38x40 20-24 36.42-38 18-23 37.50-44
13-19 38.44-39 9-13 39.38-33 13-18 40.43-38 3-9 41.38-32 9-13 42.33-28 23-29
43.39-34 18-23 44.40-35 29x40 45.45x34 23-29 46.34x23 13-18 47.31-27 18x29
48.36-31 X
De
variant met 12.34-30 5-10 13.30-25 10-14 is slechts eenmaal op het bord geweest.
Dank zij schijf 33 is de vlucht 27-31x31 niet aan de orde. Gantwarg kreeg het in
1988 op het bord tegen Jannes van der Wal. Hij ging verder met het opmerkelijke 14.37-31(?) Misschien zijn de beschouwingen van hem over het laten staan van
schijf 37 iets van de laatste tijd. Het moge duidelijk zijn, dat niets een
logische voortzetting als 14.40-34 in de weg staat. Misschien iets om eens uit
te spelen in een volgend openingentoernooi ?
Gantwarg,A. - Wal,van der,J. Minsk, 09-12-1988
12.34-30 5-10 13.30-25 10-14 14.37-31 23-28 15.40-34 11-16 16.34-30 17-21
17.26x17 12x21 18.31-26 7-12 19.26x17 12x21 20.33-29 4-10 21.29-24 19-23
22.39-34 1-7 23.34-29 23x34 24.30x39 8-12 25.45-40 14-19 26.38-33 19x30 27.25x34
10-14 28.41-37 14-19 29.34-29 9-14 30.40-35 7-11 31.35-30 11-17 32.39-34 28x39
33.44x33 19-23 34.37-31 21-26 35.50-44 26x37 36.42x31 14-20 37.44-39 16-21
38.31-26 27-32 39.47-41 21-27 40.48-42 3-9 41.42-37 23-28 42.37-31 9-14 43.43-38
32x43 44.49x38 20-25 45.41-37 13-19 46.37-32 28x37 47.31x42 14-20 48.29-23 18x40
49.39-34 40x29 50.33x13 25x34 51.13-9 34-40 52.9-3 40-44 53.3x25 =
In
de partij Luteijn - de Vries kunnen de witte zetten vooral verklaard worden uit
het verlangen de aanvalsactie 17-21x21 van Jannes van der Wal te
ontmoedigen. De aandacht wordt pas verlegd naar een grootschalige omsingeling op
het moment, dat deze mogelijkheid definitief uit de stelling is.
In diagram 6 is dat moment gekomen. Het ruiltje 17-21x21 is daar pas echt mogelijk als veld 23 gesloten is. Het moge duidelijk zijn dat dit geen eenvoudige opgave is in de gegeven positie. Bijgevolg staat zwart heel erg slecht. Schijf 28 heeft immers geen functie als er geen 17-21x21 in de stand zit.
De voortzetting 27...28-32!? kwam als een volslagen verrassing voor mij en voor Truus. Het kostte ook wat moeite Truus zover te krijgen, dat ze me wilde vertellen van de clue ervan is. Zij gaat er namelijk vanuit, dat de aanvaller groot tot zeer groot voordeel heeft. Gunstige tactische wendingen zijn dan volgens haar volstrekt overbodig. In werkelijkheid dreigt zwart volkomen vast te lopen in het centrum, waardoor een grapje als 27...28-32 juist sterk in aanmerking komt.
Na 28.49-43 is het zetje 28...22-28 29.33x31 23-29 etc. niet lastig.
Veel meer tijd gaat zitten in het zetje 28.48-43 22-28 29.33x31 23-29
30.38x27 29x38 31.43x32 13-19 32.24x13 12-18 33.13x22 17x46.
De zwarte dam gaat er weer vanaf, maar remise is het hoogst haalbare.
In het middenspel na het slaan met 28.40-34 ontglippen zwart enige onnauwkeurigheden. De zet 31...19-23 in diagram 8 is niet handig. Want daardoor kan wit het stuk veld 10 fixeren. Gewoon 31...10-14 is veel beter. Maar zwart speelde kennelijk op de wending 31...19-23 32.24-20? 10-15!
Daarna
is het nog geen gelopen parkoers. De opgesloten zwarte korte vleugel heeft
een geweldige ruimtelijke uitstraling naar het centrum. Ook heeft hij daar nogal
wat hinderlijke tempozetten ter beschikking. Slechts met uiterst behoedzaam
tempospel kan wit het spel gaande houden.
In diagram 9 is de terugruil 49...13-19 50.24x13 18x9 een onnauwkeurigheid. Met 49...23-28 kan zwart meer weerstand bieden. Bijvoorbeeld 49...23-28 50.30-25 13-19 51.24x13 18x9 52.25-20 14x25 53.15-10 9-14 54.10x19 25-30 55.43-39 28-33=. In de partij kan ik het offer 28-33 ontwijken. Truus komt nog met de versterking 49...13-19 50.24x13 18x9 51.43-39 19-24! 52.30-25 9-14 53.25-20 14x25 54.15-10 23-28 met vangstellingen.
Het eindspel in de partij is nog best ingewikkeld. Voortdurend moet wit bedacht zijn op de wending, waarbij zwart schijf 27 geeft en via 22-27 voldoende slaat met de dam. In de partij forceert wit de beslissende doorbraak naar een tweede dam via het verliezen van een tempo. Pas na 61.50-39 kunnen we weer verder. De wending 66.5-28 is hoogst opmerkelijk en effectief.