De computer begint een steeds grotere rol te spelen in het correspondentiedammen. Door de wonderbaarlijke handigheid van Truus om zich uit allerlei onmogelijke situaties te redden is het vrijwel onmogelijk geworden zonder hulp van de tegenstander een beslissing te forceren. Om het spel voor de remisedood te behoeden is er nu enkele jaren geëxperimenteerd met de Delftse puntentelling. Het positieve effect van deze maatregel is beperkt. Vorig jaar zagen we in het Nederlands kampioenschap naast beslissingen door een aantal schrijffouten vrijwel geen echte winstpartijen. Wel deden zich enkele voordeelremises voor. Sommige deelnemers werden door het nieuwe reglement en de nadeelremise verrast en begonnen een campagne. Het resultaat is dat het systeem nu teruggedraaid is zonder dat er een alternatief is verzonnen.

Sinds enkele jaren kennen we openingentoernooien. Daarin kunnen de spelers zelf kiezen uit een tiental scherpe openingen als start van hun partij. Bijzonder interessante partijen blijken daar te kunnen ontstaan, waarin ook Truus tal van steekjes lijkt te laten vallen. Truus heeft soms een wat te simpel beeld van het damspel. Aanval is goed, omsingeling is slecht. Truus verslikt zich wel eens in eindspel, opposities en vastloopsituaties.

Onderstaande partij toont ons een duel, waarin Truus er eerst voor zorgt, dat er nog een 'remise' eindpel ontstaat. Maar dat eindspel blijkt dermate
ingewikkeld, dat het programma na wat bewust onduidelijke manoeuvres mijnerzijds reddeloos kopje ondergaat. De stille dreiging van de voordeelremise is dan een machtig wapen om het spel gaande te houden.

Vries,de,I. - Luteijn,F. Openingen 2, 15-08-2000
1.34-29 19-23 2.40-34 14-19 3.45-40 10-14 4.50-45 5-10 5.31-26 20-25 6.37-31 15-20 7.41-37 10-15 8.46-41 4-10 9.32-28 23x32 10.37x28 19-23 11.28x19 13x24 12.41-37 9-13 13.37-32 14-19 14.32-27 10-14 15.29-23 18x29 16.34x23 19x28 17.33x22 17x28 18.27-21 16x27 19.31x33 14-19 20.33-28 12-18 21.26-21 7-12 22.39-33 11-17 23.21-16 6-11 24.16x7 2x11 25.44-39 11-16 26.42-37 17-22 27.28x17 12x21 28.33-28 1-7 29.36-31 7-12 30.37-32 12-17 31.49-44 3-9 32.47-42 18-22 33.40-34 22x33 34.38x29 24x33 35.39x28 19-23 36.28x19 13x24 37.44-40 21-26 38.32-28 26x37 39.42x31 17-21 40.31-26 21-27 41.43-39 9-13 42.48-43 13-19 43.39-33 8-12 44.34-29 12-17 45.43-38 16-21 46.29-23 17-22 47.28x17 19x39 48.17-12 25-30 49.26x17 30-34 50.40x29 24x42 51.12-7 42-48 52.7-1 39-43 53.17-12 48-26 54.12-7 43-48 55.1-6 26-37 56.7-1 27-31 57.1-12 31-36 58.12-3 37-14 59.3-17 36-41 60.17-12 41-47 61.6-50 47-36 62.12-7 36-4 63.7-1 4-10 64.1-29 48-25 65.50-44 10-5 66.44-22 14-19 67.29-40 19-2 68.40-49 5-23 69.22-50 23-1 70.50-22 2-16 71.22-9 20-24 72.9-4 24-29 73.4-22 1-6 74.22-36 29-33 75.49-40 6-1 0-2

Deze hekstellingopening heb ik indertijd een beetje bestudeerd. Zowel met zwart als met wit speel ik hem graag.  De variant met 12...9-13 is ongebruikelijk. De meeste zwartspelers proberen via 12...8-13 en de Haarlemmer (op 38-32) de witte opbouw te hinderen. Het voordeel van 9-13 boven 8-13 daarentegen is, dat een in principe op de lange vleugel overbodige schijf naar het werkelijke strijdtoneel wordt verplaatst.

De achterliggende gedachte in deze opening is, dat zwart weliswaar niet kan verhinderen, dat zijn tegenstander zich uit de hekstelling bevrijdt, maar dat er wat druk overblijft tegen het witte stuk op veld 28. Ook in deze partij komt dat eruit. Het dunne middenspelletje wordt vrijwel volledig door Truus bestuurd en wit staat daarbij onder flinke druk.

De zet 32...18-22 in diagram 2 dwingt wit zich in allerlei bochten te wringen, maar er zijn nog diverse reddende oplossingen. Het verloop tot de 45ste zet werd op dit moment al gezien. Truus en mijn tegenstander daarentegen werden door de gebeurtenissen kennelijk enigszins verrast. I.p.v. 38.32-28 is 38.32-27! in diagram 3 een gemakkelijker remise. De afwikkeling naar het eindspel daarentegen heb ik pas tamelijk kort voor de 45ste zet zien aankomen. Het is m.i. de enige kans voor wit. In alle andere gevallen wordt hij compleet gewurgd door de ver opgerukte stukken van zwart op beide vleugels. In het eindspel begaat wit een aantal onnauwkeurigheden.

  1. De zet 51.12-8! in diagram 4 scheelt twee tempi in de verdediging. Door de dreiging dam te halen op veld 3 resp. 35-30 te spelen heeft zwart geen tijd om schijf 27 snel naar dam te brengen.

  2. De zet 59.6-33 in diagram 5 forceert direct een 'nadeelremise'. Er dreigt 33-24. Na 60...20-25  61.3x20  25x14  62.33-28  14-20  63.45-40 komt zwart niet meer verder. Op 63...20-24 volgt namelijk 35-30x50, terwijl op 63...48-25 de manoeuvre 64.28-37-48 etc. hinderlijk is.

  3. De zet 67.29-40 in diagram 6 is de beslissende fout. Daarna verovert zwart de trictrac m.b.v. wat kleine finesses.

Truus is zich er niet van bewust, dat handhaven van beide dammen op de velden 1, 6, 50 voldoende is voor de remise. De schijven 35 en 45 zijn daarvoor niet eens nodig. De enige vangstelling toereikend om wit van de trictrac te verdrijven is de opstelling: schijf 13, 24 dam 4, 5 en 15 en dat kan niet meer. De zet 67.29-1 dwingt zwart af te wikkelen naar de voordeelremise met 19-2, 20-24-29 en 25-30x49. Schijf 15 gaat daarna simpel naar dam omdat wit zich niet op de linie 6/50 kan handhaven i.v.m. allerlei combinatie mogelijkheden tegen schijf 45.

Wit verliest na 67.29-40 19-2! de controle over de trictrac, doordat 68.40-1 faalt op 68...5-23!! Daarna is de situatie nog niet helemaal duidelijk. Maar mijn tegenstander c.q. Truus laten de dam op 49 in het nauw drijven, waardoor op het laatst het offer 76.35-30 noodzakelijk is om verder te kunnen blijven spelen.

Ook dan blijft het nog interessant. Om schijf 33 op dam te krijgen moet ik namelijk de hoofdlijn opgeven. Er gaat dan een echt vijf dammen tegen twee dammen eindspel ontstaan, dat volgens de theorie gewonnen is. Maar het systeem om dat voor elkaar te krijgen heb ik nooit helemaal goed begrepen. Wit biedt het meeste tegenstand met een dam op de hoofdlijn en eentje elders. Via een reeks ruimtewinnende zetten en vangstellingen moet de dam elders op het bord dan schaakmat gezet worden.

Frans Hermelink heeft eens een stencil gemaakt van het vijf om twee eindspel. Hij geeft daarbij vijf diagrammen. Hij is daarbij enerzijds wat grondiger dan Moser en mijn leermeester Leo Springer. Anderzijds is het opmerkelijk beknopt. Ook Lex den Doop heeft enige bijdragen geleverd in dammagazine DB. Ik heb zelf nog jaren gedacht, dat het vijf om twee eindspel remise is en dat dat eenvoudig was. Dat kostte mij eens een belangrijk punt tegen Evert Bronstring:

Luteijn,F. - Bronstring,E. Heijting, 08-08-1980
1.32-28 18-23 2.33-29 23x32 3.37x28 20-25 4.41-37 17-21 5.39-33 15-20 6.44-39 21-26 7.38-32 19-24 8.29-23 13-19 9.34-29 16-21 10.40-34 11-16 11.43-38 8-13 12.31-27 6-11 13.36-31 1-6 14.46-41 11-17 15.41-36 7-11 16.45-40 10-15 17.49-44 5-10 18.50-45 12-18 19.23x12 17x8 20.28-22 24-30 21.35x24 19x30 22.33-28 30-35 23.38-33 20-24 24.29x20 15x24 25.42-38 24-30 26.47-42 14-19 27.33-29 9-14 28.38-33 14-20 29.42-38 19-24 30.29-23 10-15 31.34-29 13-19 32.23x14 20x9 33.29x20 15x24 34.40-34 9-14 35.48-42 4-10 36.22-17 11x22 37.27x18 3-9 38.31-27 2-7 39.28-22 8-13 40.36-31 14-20 41.33-28 9-14 42.18x9 14x3 43.38-33 10-14 44.28-23 14-19 45.23x14 20x9 46.33-28 9-14 47.42-38 14-19 48.38-33 6-11 49.22-18 7-12 50.18x7 11x2 51.28-23 19x28 52.33x22 3-9 53.45-40 9-14 54.34-29 24x33 55.39x28 14-19 56.22-17 21x12 57.28-23 19x28 58.32x23 12-17 59.23-19 17-21 60.27-22 21-27 61.22-18 27x36 62.19-14 26-31 63.37x26 36-41 64.14-10 41-47 65.10-4 47-15 66.18-13 15-47 67.44-39 35x33 68.13-9 33-38 69.9-3 38-43 70.26-21 16x27 71.4x36 43-49 72.3-14 49-40 73.14-46 30-35 74.46-5 40-1 75.36-27 35-40 76.27-32 40-45 77.32-46 45-50 78.46-32 25-30 79.32-46 30-35 80.46-32 35-40 81.32-46 40-44 82.46-32 44-49 83.32-46 2-7 84.46-14 7-11 85.14-46 11-16 86.46-14 16-21 87.14-46 21-26 88.46-14 26-31 89.14-46 31-36 90.46-14 1-12 91.14-46 12-3 92.46-19 47-15 93.19-46 15-38 94.46-10 50-33 95.10-19 33-15 96.19-23 38-24 97.23-45 49-35 98.45-1 3-17 99.5-46 17-50 100.1-45 24-33 101.46-5 35-2 102.45-34 50-45 103.34-25 2-8 104.25-43 8-3 105.43-49 3-25 106.49-35 25-43 107.35-2 43-16 108.2-30 16-2 109.30-25 15-4 110.25-48 4-9 111.48-37 33-29 112.37-46 2-35 113.46-37 9-25 114.37-46 35-24 115.46-37 24-8 116.37-46 8-35 117.46-10 35-24 118.10-46 24-15 119.5-37 36-41 120.37-5 41-47 121.5-37 15-4 122.37-5 25-3 0-2 (3.48/4.09)

Stencil Frans Hermelink voor de toptraining:

De verdediger biedt het meeste weerstand met een dam op de lange lijn en een dam elders. De volgende mogelijkheden zijn daarbij:

a. Zwart staat in kwadrant 2 dammen met de 5/35. Dan volgt 21-49 (5-46) 15-4 (46-5) 4-10 X. Het spelen van de zwarte dam naar 2 leidt tot opsluiting en eliminatie van de dam.

b. Zwart staat met de tweede dam in kwadrant 3, 4 of 5. Wit moet de dammen 16 en 21 naar de velden 47 en 48 brengen. Bijvoorbeeld twee zwarte dammen op 46/48. Dan volgt er 21-27, 16-21, 21-26, 27-31 etc. terwijl zwart heen en weer blijft gaan met de dam op de hoofdlijn. 

De volgende stappen kunnen daarbij worden onderscheiden:

  1. Verovering 36 en blijven controleren van de linie 4/36

  2. Zwart mag daarbij niet naar de triktrak kunnen.

  3. Opbouw van Kesteren opstelling. Wit dient bij voorkeur links van de vang 6-22 te staan.

  4. Opsluiting van zwart in het kwadrant 2 of opbouw van diagram H4.

Wit hoeft er slechts op toe te zien, dat zwart niet naar de kwadranten 1 of 2 ontsnapt. Het wordt een beetje interessanter met een schijf op 15 in plaats van een dam.

In diagram H1 met zwart aan zet (46-5) 20-9 (36x4) 47-36 (5-46) 29-34 (5-46) 15-10 X. Zwart kan niet losstaan met de dam op de lange lijn op de eerste zet, vanwege een dubbele vang. Als wit aan zet is, dan moet er eerst een tempo verloren worden. Dit kan gebeuren via de hoogst opmerkelijke manoeuvre: 45-40 (46-5) 40-34 (5-46) 34-45 X.

De opbouw vanuit diagram H2 naar diagram H3 is geen echt probleem. Staat zwart in diagram 2 op de velden 5/35 dan volgt er 1-34, 36-18, 34-48. De dam op de lange lijn kan niet losstaan. Wit moet daarbij zien te voorkomen, dat zwart tegelijkertijd veld 14 en 35 bezet. De zetten: 1-34, 36-18, 34-48, 48-26 en 18-22 worden genoemd.

Staat zwart in diagram 2 op de velden 3/14, dan werkt de zettenreeks: 1-34, (3-8), 34-25 (14-23), 36-22 (8-19) 16-2 X. Staat zwart op de velden 46/48 dan komen de zetten: 1-12, 36-22, 16-27 en 12-26.

Zodra diagram 2 is bereikt, kan iedere opstelling van zwart aangepakt worden. Zwart in kwadrant 2 op de velden 2/5: 22-27 (Opgemerkt wordt dat 26-21 en 22-17 zoals boven ook werkt) (5-14) 26-17 (14-46) 27-21 (46-5) 21-49 X. De opstelling 5/35 geeft 22-27 (5-46) 26-17 (Opgemerkt wordt dat van Kesteren ook wint via 1-6) (46-5) 27-21 (35-49) 15-10 X.

14/35: 26-3 (14-5) 22-27 en 3-17

14/35: 26-3 (14-46) 3-21 (De zet 22-27 laat 35-19 toe) , 22-17

 

In diagram H4 hebben we de stand van Kesteren. Zwart kan behalve (46-14) nergens zinvol spelen. Na (46-14) heeft wit de manoeuvre 47-20, 15-10x39 met eliminatie van beide zwarte dammen. Een mooi geheel. Hermelink adviseert het systematisch gebruik van de vangstelling H3. Maar het blijft allemaal tamelijk gecompliceerd. Als meerderheidspartij heb je het voordeel, dat je het vijf en twintig zetten kunt proberen voor het remise. is.