Schiedam 1998 - Meer dan vijfentwintig jaar speel ik correspondentiedammen. Vorig jaar zijn er nieuwe regels opgesteld voor de grootmeestertitel en bleek ik volgens deze regels al in 1982 de nationale grootmeestertitel te hebben verworven. Hoewel dus wat laat is hiermee een heerlijke droom uit mijn middelbare schooltijd in vervulling gegaan. De afgelopen tijd heb ik wat minder energie kunnen stoppen in het correspondentiedammen. De overstap naar een nieuwe baan en het overwinnen van wat gezondheidsprobleempjes vergt een aanzienlijke hoeveelheid energie. Over een jaartje of wat als het leven weer in een wat rustiger vaarwater is gekomen, zullen we ons serieus werpen op een 8e of 9e landstitel (?)

Aanvankelijk had ik de opkomst van de computer in de damwereld een beetje lacherig afgedaan. De laatste jaren heb ik gemerkt, dat ikzelf en anderen tijdens het spelen steeds afhankelijker zijn geworden van het monster. Het gevolg is dat er in de finale van het Nederlands kampioenschap nauwelijks meer beslissingen vallen. Onbevredigend!!

Ik zal er geen geheim van maken, dat ik lange tijd een mordicus tegenstander was van de ideeën van Henk de Witt uit Delft. Mijns inziens is het voor het gewone dammen niet nodig om de spelregels te veranderen om het spel interessanter te maken. Veel toernooien zijn ook zonder dat interessant. De competitie en persoonlijke wedstrijden zouden mijns inziens voldoende geholpen zijn via en kleine verkorting van de bedenktijd tot 60 zetten in de twee uur.

In het correspondentiedammen ligt de situatie anders. Hoewel de inhoud van de partijen niet geleden heeft onder de komst van de computer heeft hij het wedstrijdelement compleet lamgeslagen. Het idee van een plusremise, waarmee geëxperimenteerd wordt in de gewone groepen is misschien een antwoord om het correspondentiedammen te redden van de remisedood. Persoonlijk zou ik willen voorstellen om zo spoedig mogelijk ook de experimenten te starten in het NK.

Luteijn,F. - Podolski,M. NLD-chT 1a, 25-01-1997
1.32-28 16-21 2.31-26 18-22 3.38-32 11-16 4.43-38 7-11 5.49-43 1-7 6.37-31 21-27 7.32x21 16x27 8.42-37 11-16 9.37-32 16-21 10.41-37 20-24 11.34-29 13-18 12.29x20 15x24 13.39-34 18-23 14.34-29 23x34 15.40x20 14x25 16.43-39 19-24 17.39-34 7-11 18.48-42 9-13 19.44-40 10-15 20.34-30 25x34 21.40x20 15x24 22.45-40 5-10 23.40-34 10-15 24.33-29 24x33 25.28x39 12-18 26.34-29 13-19 27.29-24 19x30 28.35x24 18-23 29.39-33 3-9 30.50-45 8-13 31.45-40 4-10 32.46-41 10-14 33.33-28 22x33 34.38x18 13x22 35.42-38 2-8 36.47-42 14-20 37.24-19 9-13 38.19-14 20x9 39.32-28 X

Een van de geheimzinnigste openingen die ik ken is de Valkenburgvariant. Een schijnbaar volstrekt onverantwoorde Parti-Bonnard leidt tot allerlei successen voor de zwartspeler. Na afloop van de partij tegen Podolski, waarin ik was afgedroogd op een manier zoals je maar enkele keren in je damcarrière overkomt, was er iemand van de tegenstanders zo vriendelijk een tipje van de sluier op te lichten.

Diagram 1 is het begin van ruim honderd partijen met woeste verwikkelingen. Terwijl de zwarte stelling er redelijk evenwichtig uitziet, kampt wit met een gat op 49 en een achtergebleven stuk op 46. Daardoor blijkt het niet goed mogelijk de strijd simpelweg uit te vechten met de witte korte vleugel tegen de zwarte lange vleugel. De meeste gespeelde variant is daarom 10...20-24 11.47-42 13-18 12.28-23 18x29 13.34x23 19x28 14.32x23 7-11 15.46-41 14-19 16.34x14 10x19.

De meerslag naar veld 20 hindert de witspeler bij het serieus onder druk zetten van de parti Bonnard. Meestal speelt wit 37-32, 41-37 gevolgd door herhaalde malen 40-34-29. Soms komt er 40-34 later gevolgd door 33-28 met verdedigen. Opmerkelijk is dat geen enkele witspeler heeft geprobeerd diagram 2 te bereiken met schijf 48 op 47. Na de uitval 28-23xx23 geeft een schijf op 47 meer combinatiekracht. In de partij Korsten,C. - Wiering,J. werd schijf 48 ingezet op soortgelijke omstandigheden als in mijn partij:

10.41-37 20-24 11.48-42 13-18 12.34-29 7-11 13.29x20 15x24 14.39-34 8-13 15.43-39 10-15 16.34-29 14-20 17.39-34 20-25 18.29x20 25x14 19.34-29 3-8 20.35-30 5-10 21.30-25 2-7 22.40-34 15-20 23.44-40 18-23 24.29x18 12x23 25.34-29 23x34 26.40x29 20-24 27.29x20 10-15 28.45-40 15x24 29.40-34 7-12 30.34-30 24x35 31.25-20 14x25 32.33-29 22x24 33.31x22 17x28 34.32x3 12-17 35.3x12 17x8 36.26x17 11x22

Een enkele keer hebben de witspelers in diagram 2 onmiddellijk de aanval ingezet tegen schijf 24 over veld 29. Dat lijkt een alleszins redelijk plan:

Leontiew,K. - Watoetin,E. URS-ch, 03-04-1991
17.40-34 9-13 18.45-40 5-10 19.34-29 15-20 20.37-32 20-25 21.29x20 25x14 22.41-37 12-18 23.33-28 22x33 24.31x22 18x27 25.39x28 19-23 26.28x19 14x23 27.44-39 13-19 28.39-33 8-13 29.40-34 10-14 30.34-30 3-8 31.50-45 4-10 32.45-40 10-15 33.40-34 13-18 34.33-28 8-13 35.30-24 19x39 36.28x10 15x4 37.43x34 18-23 38.37-31 13-19 39.31x22 17x37 40.42x31 19-24 41.26x17 11x22 42.31-27 1-1

Schwarzman,A. - Shaibakov,A. RUS-ch, 11-06-2005
17.40-34 5-10 18.45-40 9-13 19.34-29 3-9 20.29x20 15x24 21.40-34 10-15 22.34-29 15-20 23.37-32 12-18 24.41-37 20-25 25.29x20 25x14 26.35-30 14-20 27.30-25 9-14 28.33-28 22x33 29.31x22 18x27 30.39x28 2-7 31.43-39 7-12 32.50-45 20-24 33.45-40 13-18 34.36-31 27x36 35.37-31 X

In diagram 3 merkt Schwarzman op dat na andermaal laten slaan met 22...4-10 23.29x20 15x24 24.39-34 de terugruil 24...22-28 faalt op 25.31x22 28x30 26.38-32x5 X. Schwarzman heeft zich toegelegd op het spelen van nieuwe zetten in overbekende standen. Opgemerkt moet worden, dat 26...14-20? van Shaibakov geen hoogvlieger is. Watoetin doet het aanmerkelijk beter. Je kunt je afvragen of er voor de afwikkeling 23.33-28 van Leontiew geen alternatieven zijn. Een verwant verloop heeft zich voorgedaan in een partij Alexei Verchovich - Frits Luteijn:

17.40-34 09-13  18.45-40 12-18  19.37-32 05-10  20.34-29 03-09  21.29*20 15*24  22.40-34 10-15  23.34-30 18-23  24.30-25 02-07 25.41-37 04-10  26.50-45 10-14  27.33-29 24*33  28.38*18 27*40  29.18*16 40-44  30.39*50 X

De zet 22...10-15 is geen beste en 23...18-23 is de beslissende fout. Daarna is er geen verweer tegen 33-29. Gisteren werd er door Rob Clerc gevraagd, wat er in diagram 5 gebeurt op  27.33-29 23x34 28.39x30. Ik wist het niet. Maar Truus geeft het verloop 7-12 29.43-39 12-18 30.39-33 18-23 (Truus wil de onzinnige afwikkeling met 22-28 en 15-20 nemen) 31.44-40 15-20 32.34-29 en zwart gaat vanzelf ten onder aan zijn talrijke zwaktes. Ik heb dagen gezocht toen het al te laat was. Er was zelfs geen zuchtje verdediging te vinden...

Opgemerkt werd de curieuze mogelijkheid in diagram 4: 22...18-23 23.34-30 22-28 24.31x22 28x46 25.36-31 17x28 26.26x17 11x22 27.42-37 46x32 28.38x20 met stukwinst. Dit soort dingen zit er vrijwel altijd in, daarom hoeft wit geen haast te maken met 37-32.

Het is geen erg geschikte opening voor een correspondentie partij. Zeker niet tegen een sterke speler als Verchovich. Truus geeft de manoeuvre 22...18-23 23.32-28 23x32 24.42-37 aan als alternatieve methode om het zwarte spel te weerleggen. Zelf zou ik ook kijken naar 22...18-23 23.34-29x30. Na wachtzetten als 22...10-15 kan ook 23.32-28. De opmars 37-32-28 met schijf 41 op zijn plaats is niet of vrijwel nooit gespeeld. Het is uiterst onaangenaam voor zwart.

Podolski wees mij in diagram 6 na de partij op de afwikkeling 13.33-29 22x42 14.31x13 42x31 15.36x16 24x33 16.39x28 9x18. De witte stand is niet geweldig, maar winst zit nog diep. Ik was nog niet zo wanhopig, dat ik dergelijke afwikkelingen overwoog. In de partij Luteijn - Lansbergen diagram 7 is de zet 15...12-18 wel enigszins verhinderd door 16.33-29! met groot positievoordeel.

Luteijn,F. - Lansbergen,J. Schiedam-ch, 08-05-1998
10.41-37 19-24 11.47-42 7-11 12.34-30 20-25 13.30x19 13x24 14.40-34 14-19 15.44-40 9-13 16.50-44 4-9 17.28-23 19x28 18.32x23 25-30 19.34x25 15-20 20.25x14 10x28 21.37-32 28x37 22.33-28 22x33 23.38x20 5-10 24.31x22 17x28 25.26x17 12x21 26.42x31 10-15 27.20-14 9x20 28.35-30 3-9 29.43-38 11-17 30.46-41 17-22 31.41-37 21-27 32.31-26 20-24 33.30x19 13x24 34.26-21 27x16 35.38-32 =

De variant met 10...19-24 wordt/werd regelmatig gespeeld. Het verhindert de uitval 28-23. Maar het is ook aanmerkelijk minder dwingend. Het belangrijke moment in de partij Luteijn - Lansbergen is diagram 8. Ik speelde 14.40-34 met de bedoeling 14...14-19 15.28-23 19x28 16.32x23. Toen het puntje bij paaltje kwam ontdekte ik de afwikkeling 16...24-30 17.35x24 22-28 18.31x22 (of?) 28x30. Naderhand werd nog de afwikkeling 14...14-19 15.28-23 19x28 16.32x23 25-30 17.34x25 15-20 18.25x14 10x28 ontdekt. Wit heeft niet beter dan de afwikkeling 37-32 en 33-28 met nadelig spel.

Een alternatief voor 14.40-34 is de zet 14.39-34. Dat dreigt de terugruil 33-29. Na 14...14-20 15.34-29 is er geen verweer tegen de positionele dreiging 35-30x30. Hans Lansbergen heeft later wat moeite met het idee, dat hij zo goed als gewonnen staat. Het komt dan niet in zijn hoofd op, dat hij iets heeft, wat tegen 'afbraak' beschermd moet worden. In de partij werd de vreselijke zet 32...20-24? gespeeld. Alles wat iets doet tegen het schijnoffer 26-21 is goed tot gewonnen.

Een uitermate opmerkelijk duel in de variant met 19-24 is mijn partij tegen IJzerman. Ik ben er weken mee bezig geweest. Er is zelfs geen notie meer overgebleven van de varianten, die daarbij een rol speelden. De diagramstand ziet er spannender uit dan het is. Het is naar ik mij meen te herinneren volstrekt gelijkwaardig en erg geschikt voor 'afgesproken' remises. De diagramstand heeft zich overigens eerder voorgedaan in de partij N'Diaye - Berisjwili 1996.

IJzerman,W. - Luteijn,F. NLD-chC, 01-01-1999
10.41-37 19-24 11.47-42 7-11 12.34-29 13-19 13.40-34 20-25 14.29x20 15x24 15.45-40 10-15 16.28-23 19x28 17.32x23 4-10 18.35-30 24x35 19.33-28 22x33 20.39x28 14-20 21.31x22 20-24 22.37-32 15-20 23.46-41 9-14 24.41-37 24-29 25.22-18 2-7 26.37-31 3-9 27.43-39 10-15 28.50-45 5-10 29.48-43 8-13 30.23-19 13x33 31.39x28 14x23 32.28x19 11-16 33.34x23 7-11 34.32-27 21x32 35.38x27 10-14 36.19x10 15x4 37.23-19 20-24 38.19x30 35x24 =

N'Diaye,Mac. - Berisjwili,D. The Hague, 17-08-1996
26.37-31 3-9 27.43-39 10-15 28.39-33 5-10 29.33x24 20x29 30.48-43 8-13 31.23-19 13x33 32.34x23 21-27 33.32x21 17-22 34.38x29 22-28 35.23x32 14x45 X

Zo'n beetje de eerste partij, die ooit gespeeld is in deze variant is:

Sjawel,M. - Varkevisser,C. URS-NLD, 06-08-1967
10.41-37 20-24 11.47-42 14-20 12.34-29 10-14 13.40-34 13-18 14.44-40 8-13 15.50-44 3-8 16.35-30 24x35 17.29-23 18x29 18.33x24 20x29 19.34x23 22x33 20.31x11 7x16 21.26x17 12x21 22.38x29 19x28 23.32x23 8-12 24.36-31 6-11 25.37-32 21-26 26.32-28 26x37 27.42x31 13-18 28.31-27 11-17 29.43-38 9-13 30.40-34 35-40 31.44x35 18-22 32.27x20 15x44 X

De afwikkeling in de diagramstand rechts is vaker genomen. Het stelt niet veel voor. In Turbo dambase is er slechts een ander voorbeeld, terwijl iedereen die wat betekende op gebied van openingstheorie zich suf zocht aan deze positie.

Sjawel,M. - Gantwarg,A. Minsk, 09-10-1983
10.41-37 20-24 11.47-42 13-18 12.46-41 14-20 13.34-29 18-23 14.29x18 12x23 15.40-34 7-11 16.34-29 23x34 17.39x30 24-29 18.33x13 22x33 19.38x29 27x40 20.45x34 9x18 X

Er zijn drie slachtoffers bekend van het valletje uit het diagram links. Er zijn er natuurlijk meer. Maar die zijn niet vereeuwigd. Als zwartspeler moet je voortdurend bedacht zijn op het kaatsingszetje. Het vroegste voorbeeld is het diagram links. Wit kan afwikkelen met 35-30 en 33-29 naar een positioneel voordelige stand.

Bij het nemen van afwikkelingen is enige behoedzaamheid gewenst van wit.

Berg,van den,A. - Tak,van der,C. Jordaan-ch open, 26-08-1995
10.41-37 19-24 11.34-29 14-19 12.39-34 10-14 13.34-30 20-25 14.29x20 25x34 15.40x29 14x25 16.43-39 9-14 17.47-42 3-9 18.45-40 19-24 19.29x20 15x24 20.28-23 13-18 21.33-28? 18x29 22.39-34 22x33 23.31x11 6x17 24.34x23 21-27 25.38x20 27x47 X.

Bikindou,A. - Bremmer,W. Paris, 18-04-1995
10.41-37 20-24 11.47-42 7-11 12.34-29 13-18 13.29x20 15x24 14.28-23 19x28 15.32x23 18x29 16.33-28 22x33 17.31x22 17x28 18.26x17 11x22 19.35-30 24x35 20.39-34 14-19 21.34x32 9-13 22.38x29 13-18 23.46-41 8-13 24.36-31 10-14 25.31-27 22x31 26.37x26 14-20 27.40-34 2-7 28.44-40 35x44 29.50x39 19-23 30.42-37 5-10 31.45-40 =

De afwikkeling rechts is inmiddels vier keer genomen. Het schijfje (19.35-30) moet erbij vanwege plakkers. Op het eerste gezicht lijkt het wel wat voor wit. Maar hij is in de praktijk zolang bezig met het ontwikkelen van zijn korte vleugel, dat het voordeel hem als het ware door de vingers glipt. Links een voorbeeld, waarbij wit zijn voordeel combinatief realiseert:

Cisse,P. - Crevat,L. FRA-ch, 16-08-1994
10.41-37 20-24 11.47-42 13-18 12.28-23 19x28 13.32x23 18x29 14.34x23 7-11 15.46-41 14-19 16.23x14 10x19 17.40-34 9-13 18.45-40 12-18 19.50-45 4-10 20.37-32 2-7 21.41-37 7-12 22.34-29 3-9 23.29x20 15x24 24.40-34 18-23 25.44-40 12-18 26.34-29 23x34 27.40x20 10-15 28.39-34 15x24 29.34-29 5-10 30.29x20 10-15 31.43-39 15x24 32.39-34 9-14 33.35-30 24x35 34.34-30 35x24 35.33-28 22x33 36.38x9 27x47 37.37-32 13x4 38.48-42 X