De genoemde verwikkelingen hebben de meeste witspelers ertoe gebracht weer terug te keren naar de gewone zet 9.41-37 21-27 10.37-31. Er ontstaat dan een naast familielid van de Sijbrandsvariant uit de 32-28 19-23 opening. Er is sprake van een tempo verschil. Dat verschil is in de gesloten fase wel prettig voor de aanvaller. In de open fase daarentegen is de witte omsingeling best gevaarlijk. Bovenstaande stelling is 178 keer voorgekomen. Zelf heb ik er een heel stel tegengespeeld in de onderlinge van RDG. In Turbo dambase staan er 11. Het zijn er inmiddels veel en veel meer. Tegen Anco Baksoellah heb ik er ook een hele reeks gespeeld. Hij doet het graag en geeft zwart veel ruimte. In onderstaande partij doet hij een beetje anders en dat geeft heel bijzondere complicaties:
Baksoellah,I.H.
- Luteijn,F. RDG oc, 11-09-1985
9.42-37 21-27 10.37-31 20-24 11.48-42 10-14 12.34-29 14-19 13.29x20 15x24
14.40-34 9-14 15.34-30 5-10 16.45-40 11-16 17.40-34 3-9 18.30-25 7-11 19.34-30
18-23 20.50-45 23x32 21.33-29 24x33 22.39x37 19-23 23.30-24 10-15 24.44-39 12-18
25.39-34 8-12 26.35-30 23-28 27.49-44 2-7 28.45-40 14-19 29.40-35 9-14 30.44-39
4-9 31.38-33 18-23 32.42-38 12-18 33.47-42 16-21 34.33-29 28-32 35.37x28 22x44
36.31x22 17x28 37.26x17 11x22 38.38-32 28x39 39.34x43 23x34 40.30x50 19x30
41.35x24 X
In
diagram 5 schrok ik nogal toen ik mij veel te laat ging verdiepen in de
mogelijkheid 20.33-29!? Het moge duidelijk zijn, dat de slag 20...23x34 niets
is. Na 20...23x32 21.29x20 10-15 22.30-24 19x30 23.35x24 13-19 24.24x13 8x19
25.38-33 15x24 26.42-37 32-38 komt zwart er echter weer redelijk bovenop, terwijl langzamer
zetten van wit de bekende bevrijding met 22-28 geeft. Uitstel van 18-23 is gevaarlijk.
Bijvoorbeeld 19...10-15 20.39-34 18-23 21.42-37 23x32 22.37x28 is lastig. Er
dreigt 44-40, 50-45, 25-20 en 38-32 met hel en verdoemenis. De uitwisseling
22...24-29 23.33x24 etc. is geen vetpot.
De opstelling van de zwarte lange vleugel en het centrum dient altijd met aandacht te gebeuren. Zeker als wit zoals nu de wending met 38-32 in de stand heeft gehouden. Het is niet handig om in diagram 6 met 16...3-9 verder te gaan. Na 17.30-25 dreigt de bekende wending 35-30, 25-20, 38-32 en 39-34x5. Truus merkt op dat het meevalt, omdat zwart na damafname erg ver naar voren staat. Op 17.30-25 10-15 is 18.25-20 14x25 19.38-32 27x29 20.39-34 22x33 21.34x3 eveneens vervelend. Soms kan de dam er met redelijk spel vanaf. Hier is dan niet het geval.
Erg
veel spelers verzuimen na 16...11-16 de mogelijkheid 17.30-25 en spelen met
17.40-34 op het zetje 23-28 en 33-28 waar natuurlijk niemand inloopt. Na
17.30-25 zullen weinig zwartspelers (zoals Truus) met 17...7-11 de damzet naar 5
durven toe te laten. Truus merkt op dat de afwikkeling 17.30-25 7-11 18.35-30
24x35 19.25-20 14x25 20.38-32 27x29 21.39-34 22x33 22.34x5 4-9 23.5x39 17-21
24.26x17 11x22 25.39x17 12x21 26.31-26 2-7-11 goed is voor zwart.
Na het normale 17.30-25 10-15 18.40-34 3-9 heeft wit een tempo extra voor boze plannen. Deze zouden kunnen bestaan uit 19.44-40 7-11? 20.50-44 18-23 21.42-37 23x32 22.37x28 en de dreiging 25-20 en 38-32 wordt een probleem. Bijgevolg moet zwart na 19.44-40 onmiddellijk aanvallen. Na 19...18-23 20.42-37 23x32 21.37x28 13-18 22.45-40 is 22...15-20?! de bedoeling. Een andere variant is 22.34-29 7-11 23.29x20 15x24 24.40-34 18-23 25.50-44 23x32 26.34-29 4-10 27.29x20 10-15 28.39-34 15x24 29.44-39 22-28! en wit mag niet met schijf 31 slaan.
Schaaf,van
der,C. - Luteijn,F. VAD paas, 31-03-1986
10...20-24 11.47-41 10-14 12.41-37 11-16 13.37-32 7-11 14.32x21 16x27 15.34-29
14-19 16.29x20 15x24 17.40-34 9-14 18.45-40 5-10 19.34-30 11-16 20.40-34 3-9
21.30-25 10-15 22.34-30 18-23 23.50-45 23x32 24.33-29 24x33 25.39x37 19-23
26.44-39 15-20 27.38-33 13-19 28.39-34 20-24 29.34-29 23x34 30.30x39 19-23
31.42-38 14-19 32.45-40 9-14 33.40-34 12-18 34.34-29 23x34 35.39x30 18-23
36.43-39 8-12 37.39-34 2-8 38.34-29 23x34 39.30x39 8-13 40.48-42 6-11 41.37-32
4-9 42.32x21 16x27 43.49-43 12-18 44.42-37 11-16 45.37-32 16-21 46.32-28 24-29
47.33x24 22x44 48.31x11 19x30 49.35x24 44-50 50.26x17 18-22 51.17x28 50x6 X
Bovenstaande voorbeelden van een open Roozenburgstelling bewijzen overtuigend dat een witspeler, die
niets onderneemt gewoon onder de voet gelopen wordt. Heel anders is het
als de witspeler zijn kansen wel waarneemt.
Meijer,Hein - Luteijn,F. NLD-ch sf1, 18-01-1986, 2-0
10...10-14 11.42-37 11-16 12.37-32 7-11 13.32x21 16x27 14.34-29 20-24 15.29x20
15x24 16.47-42 14-19 17.40-34 9-14 18.34-30 5-10 19.45-40 2-7 20.40-34 3-9
21.30-25 10-15 22.50-45 18-23 23.34-30 23x32 24.33-29 24x33 25.39x37 19-23
26.44-39 15-20 27.38-33 12-18 28.42-38 7-12 29.45-40 4-10 30.40-34 10-15
31.37-32 11-16 32.32x21 16x27 33.48-42 23-28 34.34-29 28-32 35.42-37 32x41
36.36x47 27x36 37.30-24 6-11 38.24-19 14x34 39.25x3 18-23 40.39x30 12-18 41.3x21
22-28 42.33x22 18x16 43.30-24 11-17 44.38-32 16-21 45.43-38 13-18 46.35-30 18-22
47.24-19 23x14 48.30-24 22-27 49.49-44 14-20 50.24-19 20-24 51.19x30 15-20
52.30-25 20-24 53.44-39 27-31 54.26x37 17-22 55.39-33 21-26 56.32-28
In
diagram 1 speelt vrijwel iedereen tegenwoordig 10...20-24. Dat doet wat tegen de
manoeuvre uit de partij. Na 10...10-14 11.42-37 komt de Stahlbergdreiging in de
stand. Het is niet helemaal duidelijk wat de variant 11...20-24 (of 13-19)
12.37-32 11-16 13.32x21 16x27 14.26-21 17x37 15.28x17 12x21 16.38-32 27x29
17.34x1 37-41 waard is. Alleen de variant met 11...13-19 is een keertje op het
bord geweest. In drie andere gevallen besloten de witspelers tot 14.47-42 met
een vergelijkbaar verloop als in de partij. Een bezwaar van 10...20-24 zou
kunnen zijn de uitval 11.28-23 18x29 13.34x23 10-14 14.23-18 12x23 15.33-29 met
de valse staart 6,11,17,22,27 waar Schwarzman zo dol op is.
In de
tijd van de tegenstander reken ik tegenwoordig de "B-varianten" uit. Dat heb ik
van Jannes van der Wal geleerd om de verveling te bestrijden en toch wat nuttigs
te doen. Een heel behoorlijk idee in plaats van het vrijwel a tempo gespeelde
17.40-34 leek mij 17.39-34. Van 17...9-14 18.33-29 wordt je niet blij. Ook
18...18-23 19.33-29 is niet erg aantrekkelijk voor zwart. Ik overwoog de reactie
17...4-10. De overval 18.42-37 is niet bijzonder gevaarlijk, omdat door het gat
op 39 de aanval over 23 kan zonder vrees voor de kenmerkende terugruil 33-29x37.
In diagram 8 wederom het probleem van het tempo. De soort zet 2-7 heb ik in deze opening vaker gespeeld. In de open Roozenburg is het ontbreken van de formatie 2,8,13 echter best een gemis voor zwart. Ook maakt de vroegtijdige beslissing 2-7 het onmogelijk om al te lang te wachten met het openen van de stelling met 18-23. Echter 19...10-15 kan natuurlijk niet vanwege de bekende wending 20.28-23 18x29 21.40-34 en 33-28 met hel en verdoemenis.
Na 19...3-9 20.30-25 10-15 was ik niet helemaal gerust op de gevolgen van de damzet 21.25-20 14x25 22.38-32 27x47 23.39-34 47x29 24.34x3 22x33. Daardoor had ik mij waarschijnlijk gedwongen gevoeld om vroegtijdig af te wikkelen naar een open Roozenburg met 18-23. Het is nu eenmaal niet de bedoeling van zwart om de tegenstander het moment voor deze overgang te laten kiezen. De kunst is om zo lang te wachten, dat het 'mooi' van de witte stand af is.
De
suggestie van mijn tegenstander om 19...4-9 20.30-25 10-15 21.40-34 te spelen,
kon mij niet bekoren. Wederom moet zwart overhaast de achterloop 18-23 doen, wil
hij niet in de problemen komen. Na 21...18-23 22.50-45 23x32 23.33-29 24x33
24.39x37 kan zwart profijt trekken uit de aanwezigheid van de formatie 3,9,14.
Na 24...19-23 25.34-29 23x34 26.37-32 kan zwart zich volgens hem staande houden.
Ik hoopte met het partijverloop op meer.
Een bijzonder helder hoofd had ik niet bij mij op zaterdag 18 januari 1986. In diagram 8 overwoog ik 22...15-20?! Maar ik meende te bespeuren, dat de witte remisekansen dam beter waren dan in het partijverloop. De zet 15-20 is eerder bestudeerd in de 32-28 19-23 opening. Ik wist niet helemaal zeker of ik het met schijf 50 op 47 wel aangedurfd had. Nu heeft wit geen stuk op 41 en kan na 18-23 niet meer opvangen met 47-41 en 42-37.
Met
schijf 45 op 50 en 34 op 30 is het ook de vraag of 15-20 wel verantwoord is. Het
gaat dan om de afwikkelingen 22...15-20 23.39-34 18-23 24.44-40 23x32 25.42-37
32x41 26.36x47 27x36 27.47-41 36x47 28.38-32 47x29 29.34x23 19x37 30.30x10 4x15
31.25x3 37-41 X; 22...15-20 23.39-34 18-23 24.44-40 23x32 25.34-29 22-28 en
22...15-20 23.39-34 18-23 24.34-29 23x34 25.30x39 12-18 26.42-37 24-29.
Bij VAD is nevenstaand positie bestudeerd. Johan Bastiaannet zweert bij direct 26.30-24 om schijf 14 voor goed combinatief vast te leggen. Het bezwaar is echter 26...23-28 gevolgd door 17-21x21 met kansrijke aanval tegen de witte lange vleugel. Hein Meijer was na het in de partij aangewezen (26.44-39!) 13-19 27.30-24 19x30 28.35x24 van plan op vergelijkbare wendingen aan te sturen. Op 28...23-28 kan dan de ruil 29.39-33x34 met goede vooruitzichten. De diagramstand is inmiddels 6 keer voorgekomen. Een interessant voorbeeld is:
Mol,O. - Jansen,G. NLD-ch, 31-03-1997,
2-0
10...20-24 11.47-41 10-14 12.41-37 11-16 13.37-32 5-10 14.32x21 16x27 15.34-29
7-11 16.29x20 15x24 17.40-34 13-19 18.45-40 9-13 19.34-30 3-9 20.30-25 2-7
21.40-34 10-15 22.34-30 18-23 23.50-45 23x32 24.33-29 24x33 25.39x37 19-23
26.37-32 11-16 27.32x21 16x27 28.30-24 6-11 29.44-39 12-18 30.39-34 8-12
31.34-30 23-28 32.24-19 14x23 33.38-32 27x47 34.30-24 47x20 35.25x3 11-16
36.43-38 23-29 37.3-14 28-33 38.35-30 33x42 39.48x37 29-33 40.45-40 7-11
41.40-35 16-21 42.30-24 11-16 43.14-3 22-28 44.37-32 28x37 45.31x42 18-23
46.3-25 21-27 47.25-48 33-38 48.42x33 23-29 49.26-21
De dam is niet helemaal gratis, maar met zwart laat je hem toch liever niet toe. Zelf speel ik de zwarte opening nog steeds veelvuldig. Onderstaande positie heb ik meerdere keren op het bord gehad. Via 28...2-7 kun je de aanval tegen 27 'robuust' afslaan. Na andere zetten kan 37-32 (11-16x27) 39-33-28 of 38-33-29 met onduidelijk spel. Hoeksema won eens met de tweede manoeuvre op klaarlichte dag een schijf in zijn partij tegen Bosker via 28...15-20? 29.37-32 11-16 30.32x21 16x27 31.38-33 23-28 32.33-29 X.
Ladage,H. - Luteijn,F. NLD-chC, 01-01-1998
10...20-24 11.34-29 13-19 12.29x20
15x24 13.40-34 9-13 14.45-40 10-14 15.34-30 5-10 16.40-34 3-9 17.30-25 10-15
18.34-30 18-23 19.47-41 23x32 20.33-29 24x33 21.39x37 19-23 22.37-32 11-16
23.32x21 16x27 24.41-37 6-11 25.37-32 11-16 26.32x21 16x27 27.44-39 7-11
28.42-37 2-7 29.30-24 11-16 30.39-34 14-19 31.34-29 23x34 32.38-33 19x30
33.35x24 27-32 34.37x28 9-14 35.43-39 34x43 36.49x38 12-18 37.38-32 8-12
38.50-44 13-19 39.24x13 18x9 40.31-27 22x31 41.36x27 14-19 42.27-22 7-11
43.33-29 9-13 44.32-27 19-24 45.29x20 15x24 46.48-43 24-29 47.25-20 29-33
48.28x39 17x28 49.20-14 =
In deze partij tegen Ladage weet ik wonderbaarlijk het vege
lijf te redden. Na 28...2-7 29.30-24 is 11-16 alvast niet de goede voortzetting.
In het lopende wereldkampioenschap heb ik twee andere voorbeelden op het bord staan.
Ik ben zelf ook wat voorzichtiger geworden. Vooral de partij tegen Zdoroveac
kent twee bijzondere fragmenten:
wk74: Rafail Zdoroveac - Frits Luteijn
10...20-24 11.34-29 10-14 12.29*20 15*24 13.40-34 05-10 14.45-40 13-19 15.34-29
10-15 16.29*20 15*24 17.40-34 14-20 18.42-37 09-13 19.34-29 20-25 20.29*20 25*14
21.35-30 04-10 22.30-24 19*30 23.28-23 18*29 24.33*35 13-19 25.39-34 19-23
26.44-39 08-13 27.34-29 23*34 28.39*30 13-18 29.30-25 02-08 30.37-32 11-16
31.32*21 16*27 32.35-30 08-13 33.50-44 06-11 34.44-39 18-23 35.39-34 13-19
36.34-29 23*34 37.30*39 19-23 38.39-34 03-09 39.34-30 09-13 40.43-39 12-18
41.39-34 07-12 42.38-33 23-28 43.33-29 10-15 44.30-24 27-32 45.34-30 32-38
46.31-27 22*31 47.26*37 28-33 48.37-32 38*27 49.29*38 18-23 50.48-43 12-18
51.43-39 17-22 52.39-34 11-17
In de loop der tijden heb ik een aantal alleszins aardige partijen gespeeld tegen Rafail Zdoroveac. Sinds ik in een wereldkampioenschap beide partijen tegen hem won, is hij wat minder onbevangen geworden. Toch blijft het leuk. In de diagramstand kwam hij met 15.34-29. De stand is 26 keer voorgekomen. Maar deze zet is nog nooit gespeeld. Op het moment zelf had ik niet in de gaten, dat mijn reactie 15...10-15 16.29x20 15x24 aanmerkelijk scherper is, dan de bedoeling was. Truus adviseerde toentertijd laten slaan naar 25 en aanvallen over 23. Dit soort onzin komt voortdurend uit haar analysevenster, zodat je er niet meer zo op let. Jammer als ze ook eens keertje gelijk heeft.
In diagram 13 heeft zwart een groot probleem. Op 17...8-13 is
de afwikkeling 18.26-21 mogelijk. Na 17...9-13 zit het zetje 18.28-23 en
33-28x18 erin met schijfwinst. Op 17...11-16 is de winst 18.35-30 en 26-21 erg
bekend. Truus wilde mij nu en later steeds 17...18-23 laten spelen. Het
resultaat is verschillend. Soms gaat schijf 27 er naar de wending 47-41 en
33-29x37 gewoon vanaf. Op andere momenten kan zwart uit de hel nog een puntje
wegslepen. Het is alvast geen zet, die je graag in dit stadium van de partij
speelt. Dus ik kwam op het idee om 17...14-20?! te spelen.
Het is
geen echt geweldig zet, maar het is niet eenvoudig om als wit direct door te
drukken. Ik ben een week bezig geweest met het afdekken van de gevolgen van deze
schijnbaar onzinnige zet. Ik weet er niet veel meer van. Wit heeft een heel stel
kansrijke mogelijkheden. De Stahlbergdreiging met 42-37, 44-40, 37-32 en 26-21
is een issue. In veel varianten moet het komen van het vullen van veld 13 met
9-13. Na 44-40 moet soms 9-14. De partijvoortzetting 19.42-37 en 20.34-29 is
niet bijzonder gevaarlijk voor beiden.
Het resultaat een open Roozenburg in diagram 14 is alleszins redelijk voor wit. Ik heb een valse staart. Zodra ik op veld 28 kom, kan wit hergroeperen met 37-32x42. Ik besloot uiterst behoedzaam verder te gaan. de manoeuvre 37-32 gevolgd door 38-32x32 zit er langdurig in. Maar het is de minste van de zwarte problemen.
De
achterloop 30.37-32 haalt de zetjes 17-21, 27-32 en 18-23x41 uit de stand. Maar
het haalt tevens een schijf weg uit de valse staart. Je hoopt erop met zetten
als 28...13-18 en 29...2-8. Maar je bent toch oprecht verbaast als de
tegenstander tot het zozeer gewenste 30.37-32 overgaat in plaats van het
vanzelfsprekende 30.47-42.
In diagram 16 staat wit nog steeds alleszins redelijk. De
manoeuvre uit de partij met 44...27-32-38 is grappig. Er gaat zelf nog wat
gevaar vanuit. Maar in een correspondentiepartij mag je natuurlijk niet
verwachten, dat je met zoiets de volle buit binnenhaalt. Wit wikkelt af naar een
nadelig acht om acht afspel, dat ongetwijfeld remise gaat lopen. Het grootste
probleem is de opmars 49-44-49-35 en in vereende krachten gaat de rest van het
materiaal er vanzelf vanaf.
Zwart staat niet echt goed. Nog steeds heeft hij een achtergebleven schijf op veld 11. Wit heeft overwicht aan de korte vleugel. Het idee om je daar los te ruilen met herhaalde malen 13-19x9 zal waarschijnlijk niet lukken. De doorbraak door het centrum is gebaseerd op 45.49-43? 32-38 en 22-27x39 X. In diagram 17 ligt 46.48-43 28-32 47.47-41 voor de hand. Maar dan is 47...22-27 49.31x22 18x27 met meerslagfinesse goed voor zwart.