Het zicht op de waarde van de hoge korte vleugel opsluiting wordt enigszins ontnomen, omdat zo weinig witspelers hun kansen optimaal waarnemen. Weldadig is te zien hoe wit in onderhavige partij reeds vroeg in de opening de opgeslotene onder zware druk zet:

Nitsch,P. - Kooistra,T. NLD-ch sf1, 16-02-1991
1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.31-26 6-11 5.36-31 8-12 6.32-27 16-21 7.27x16 22-28 8.33x22 18x36 9.41-37 19-23 10.39-33 14-19 11.35-30 10-14 12.30-25 20-24 13.44-39 12-18 14.50-44 2-8 15.37-32 8-12 16.32-27 14-20 17.25x14 9x20 18.27-21 5-10 19.38-32 10-14 20.33-28 4-9 21.32-27 23x32 22.27x38 18-23 23.40-35 20-25 24.44-40 14-20 25.46-41 13-18 26.41-37 9-13 27.37-32 3-9 28.42-37 9-14 29.34-30 25x34 30.39x30 23-29 31.48-42 18-22 32.40-34 29x40 33.45x34 13-18 34.30-25 19-23 35.34-30 24-29 36.43-39 22-28 37.39-34 29x40 38.35x44 14-19 39.25x14 19x10 40.44-39 18-22 41.38-33 10-14 42.30-24 36-41 43.47x36 12-18 44.21x12 23-29 45.32x34 X.

De situatie is al snel kritiek. Een interessante vraag is wanneer zwart precies in de fout gaat. In de eerste diagramstand kan hij onmogelijk reeds verloren staan. Wel is het ongelukkig, dat schijf 8 weg is. Een eventuele bevrijding moet dan komen van het schijnoffer 12-18-22. Wat zo het al kan de oversteek van schijf 26 naar 16 tegen een ernstig verzwakte zwarte korte vleugel mogelijk maakt. Het is begrijpelijk, dat zwart de manoeuvre 23...12-18 24.21x12 18-22 25.26-21 etc. niet zo ziet zitten.

In de eerste diagram kan zwart proberen de opsluiting te weigeren met 16...17-22. Het kost even moeite om te ontdekken, dat de afwikkeling 17.33-28 23x21 18.26x8 gevolg door 19.34-29x6 gewoon een stuk wint. Wel een werkbare verdediging voor zwart lijkt de ruil naar veld 30, die gedurende meerdere zetten mogelijk is.

In de diagramstand is bijgevolg de witte voortzetting 28.34-30 25x34 29.39x30 aangewezen. Na 29...20-25 30.38-33 25x34 31.40x20 15x24 32.33-28 23-29 staat zwart overwegend. Een bescheidener aanpak met 30.49-44 25x34 31.40x20 15x24 32.43-39 biedt wel kansen. Op 32...18-22 33.44-40 dreigt 35-30, zodat zwart een onplezierige beslissing moet nemen. Na 28.42-37? 24-30 29.35x24 19x30 30.38-33 30-35 31.43-38 35x44 32.49x40 heeft zwart de boel redelijk onder controle. Ook een zet eerder was 27...24-30 28.35x24 19x30 29.38-33 30-35 30.42-38 35x44 31.39x30 13-19 32.34-29 23x34 33.40x29 20-24 34.29x20 15x24 waarschijnlijk volkomen verantwoord. 

Bij het zoeken naar verbeteringen voor de zwartspeler werd door Truus en mij rechts de mogelijkheid 31...18-23! ontdekt. Op 32.30-25 neemt zwart niet de dam 32...23-28? 33.32x34 24-30 34.35x24 19x48 35.40-34 met een positioneel debacle, maar volgt 32...12-18! 33.21x12 18-22 34.26-21 7x18 35.16x7 1x12 36.21-16 is de damzet 23-28 wel ruim voldoende voor de remise. Een ander alternatief is nog de woeste uitval 31...29-33. Na het gespeelde 31...18-22  is het zeer de vraag of de witte reactie 32.40-34 29x40 33.45x34 wel correct is. Na 33...13-18 34.30-25 24-29! 35.34x23 18x29 is het witte centrumblok vastgelegd. Gewoon 32.30-25 13-18 33.49-44 22-27 34.44-39 18-23 35.40-34!! (of?) 29x40 36.35x44 houdt het spel gaande. Wel wemelt het van de zetjes.

Bakker,A. - Rigterink,J. NLD-chT, 02-03-1991
1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.31-26 6-11 5.36-31 8-12 6.32-27 16-21 7.27x16 22-28 8.33x22 18x36 9.41-37 20-25 10.37-32 15-20 11.32-27 10-15 12.27-21 20-24 13.46-41 5-10 14.41-37 15-20 15.34-30 25x34 16.39x30 10-15 17.44-39 20-25 18.50-44 25x34 19.40x20 15x24 20.44-40 14-20 21.40-34 9-14 22.38-33 4-10 23.42-38 10-15 24.34-30 20-25 25.38-32 25x34 26.39x30 13-18 27.43-39 18-23 28.48-43 12-18 29.21x12 18-22 30.12-8 2x13 31.43-38 13-18 32.49-43 1-6 33.45-40 3-9 34.40-34 9-13 35.30-25 24-30 36.35x24 19x30 37.37-31 36x27 38.32x21 7-12 39.16x7 12x1 40.21-16 6-11 41.16x7 1x12 42.47-41 22-27 43.41-37 27-31 44.37-32 31-36 45.33-28 14-19 46.28-22 18x27 47.32x21 36-41 48.21-17 12x21 49.26x17 23-29 50.34x14 41-47 51.25x34 47x26 X

Een heel andere behandeling van de zwarte stelling zien we hier.  Zwart heeft ruimere mogelijkheden tot bevrijdende ruilen achter de hand gehouden. In de partij laat wit zich inmaken. De beginzet 24.34-30 doet niets tegen de ruilen op de zwarte korte vleugel. Voorts is het tempo (24...20-25) 25.38-32? het einde van een bruikbaar wit centrum. Aangewezen lijkt 24.49-44. Zowel na 24.49-44 20-25 25.44-40 24-30 26.35x24 19x30 27.37-32-28 als 24.49-44 20-25 25.37-32-28 krijgt wit een sterk centrum.

Kooij,van der,W. - Haagh,E. NBR-ch, 13-04-1991
1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.31-26 6-11 5.36-31 8-12 6.32-27 16-21 7.27x16 22-28 8.33x22 18x36 9.41-37 19-23 10.37-32 14-19 11.32-27 10-14 12.27-21 20-24 13.34-30 13-18 14.40-34 9-13 15.45-40 4-9 16.46-41 15-20 17.30-25 5-10 18.34-30 10-15 19.41-37 18-22 20.39-33 2-8 21.40-34 24-29 22.33x24 20x40 23.30-24 19x30 24.25x45 14-19 25.44-39 9-14 26.45-40 13-18 27.40-34 8-13 28.34-29 23x34 29.39x30 15-20 30.43-39 20-24 31.49-44 18-23 32.44-40 3-9 33.40-34 13-18 34.39-33 23-28 35.34-29 28x39 36.29x20 14x34 37.38-33 39x28 38.37-31 X

In deze partij handhaaft zwart de opsluiting te lang en wordt op instructieve wijze gevloerd. Hier moet zwart onverwijld 26...12-18 27.21x12 8x17 ruilen. Na 28.38-32 3-8 29.43-38 8-12 30.37-31 36x27 31.32x21 staat er wederom een korte vleugel opsluiting op het bord, maar onder veel betere omstandigheden als in de partij.

Tielrooy,T. - Pippel,C. Kennemer Top Tien, 23-01-1988
1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.31-26 6-11 5.36-31 8-12 6.32-27 16-21 7.27x16 22-28 8.33x22 18x36 9.41-37 12-18 10.37-32 2-8 11.42-37 8-12 12.32-27 19-23 13.27-21 14-19 14.34-29 23x34 15.39x30 19-23 16.30-24 20x29 17.47-41 36x47 18.43-39 47x33 19.39x8 9-13 20.8x19 3-8 21.49-43 4-9 22.44-39 9-14 23.43-38 14x23 24.39-34 8-13 25.50-44 10-14 26.44-39 5-10 27.46-41 18-22 28.34-30 22-28 29.40-34 29x40 30.45x34 15-20 31.48-43 10-15 32.30-25 20-24 33.41-36 24-29 34.36-31 29x40 35.35x44 15-20 36.31-27 23-29 37.27-22 29-33 38.38x29 28-32 39.37x28 20-24 40.29x18 12x32 41.21x12 7x27 42.16x7 1x12 43.26-21 27x16 44.43-38 32x34 45.25-20 =

Het zetje, dat wit hier neemt is bekend in dit soort stellingen. De opsluiting van de zwarte korte vleugel opsluiting maakt het hier tot een positionele ramp. De wonderbaarlijke ontsnapping later in de partij is daarna nauwelijks meer relevant. Na 36.31-27 23-29! zit er opeens een batterij van zetjes in de stand.  Op 37.38-32 volgt 13-18 en 14-19. Na 37.44-40 zit 28-32, 29-34, 20-24x41 erin. Ook andere pogingen zijn tot mislukken gedoemd. De wending 12-18-22 is nu of later steeds ruim voldoende voor de remise.

Gantwarg merkt op, dat voor de zwarte stelling schijf 8 cq. 13 belangrijk is. Het geven van het stuk op 19 met 23.19-13 maakt een wereld van verschil. Slaat zwart naar achteren, dan komt schijf 29 onder druk. Doet hij daarentegen 8x19, dan is de bevrijdende manoeuvre 12-18-22 voorgoed uit de stelling. Tot slot de schitterende partij, waarin Hans Jansen met een bord vol stukken beslissend voordeel weet te forceren tegen de zwarte lange vleugel. 

Jansen,H. - Mooser,R. NLD-chT, 23-11-1991
1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.31-26 6-11 5.36-31 8-12 6.32-27 16-21 7.27x16 22-28 8.33x22 18x36 9.41-37 19-23 10.37-32 14-19 11.32-27 10-14 12.27-21 20-24 13.34-30 13-18 14.40-34 9-13 15.45-40 14-20 16.30-25 4-9 17.25x14 9x20 18.38-33 18-22 19.42-37 20-25 20.50-45 13-18 21.37-31 36x27 22.21x32 1-6 23.34-30 25x34 24.40x20 15x24 25.44-40 5-10 26.39-34 10-15 27.47-42 15-20 28.34-30 3-9 29.32-28 23x32 30.33-29 24x33 31.43-38 32x43 32.49x29 19-24 33.30x19 9-13 34.19x8 12x3 35.35-30 3-9 36.30-25 9-14 37.40-34 22-27 38.26-21 17x26 39.45-40 18-23 40.29x18 2-8 41.34-30 7-12 42.16x7 12x1 43.40-34 1-7 44.34-29 26-31 45.29-23 14-19 46.25x14 19x10 47.23-19 8-12 48.18-13 12-18 49.13x22 27x18 50.30-24 X