Delhom,R. - Luteijn,F. Paris, 05-04-1984
1.32-28 20-24 2.37-32 15-20 3.34-30 10-15 4.30-25 18-23 5.41-37 17-21 6.31-27
12-18 7.40-34 24-29 8.33x24 20x40 9.45x34 15-20 10.39-33 20-24 11.34-30 7-12
12.44-39 5-10 13.39-34 1-7 14.34-29 23x34 15.30x39 18-23 16.37-31 21-26 17.49-44
26x37 18.42x31 10-15 19.47-42 12-18 20.46-41 7-12 21.41-37 12-17 22.50-45 8-12
23.44-40 2-8 24.40-34 14-20 25.25x14 9x20 26.34-30 20-25 27.39-34 4-9 28.34-29
23x34 29.30x39 18-23 30.39-34 12-18 31.43-39 9-14 32.31-26 8-12 33.37-31 14-20
34.42-37 24-30 35.35x24 20x40 36.45x34 15-20 37.33-29 20-24 38.29x20 25x14
39.48-43 3-8 40.28-22 17x28 41.27-21 16x27 42.31x33 14-20 43.32-27 19-24
44.34-29 23x34 45.39x19 13x24 46.43-39 18-23 47.27-21 24-30 48.37-32 11-17
49.36-31 20-24 50.31-27 23-29 51.33-28 30-35 52.27-22 35-40 53.22x11 6x17
54.28-22 17x37 55.21-17 12x21 56.26x17 40-45 57.38-32 37x28 58.17-11 8-12
59.11-6 12-17 X
Deze positie heeft zich inmiddels 380 keer voorgedaan. Het is de oorspronkelijke
hoofdvariant van de Dumont. De voortzetting 7.40-34 ligt voor de hand, omdat de
witte korte vleugel, vanwege de bomzet niet via 39-34 in beweging kan worden
gebracht. Op het eerste gezicht lijkt de bovenstaande partij weinig
spectaculair. Wit speelt fantasieloos en dat blijkt niet goed genoeg. De
schoonheid van de opening wordt evenwel duidelijk als we de dingen, die niet
gebeurden gaan bestuderen. Met een ijzeren vuist en verpletterend veel rekenwerk
moet zwart ervoor zorgen, dat geen enkel alternatief aantrekkelijk wordt.
Dit is de
stand waar de Dumont variant zijn populariteit aan te danken heeft. Wit heeft
niet getaald naar de Molimard en tevens de Ligthart
variant gelaten voor wat hij is. Na 5.42-37 is de voortzetting 5...17-21 6.31-26
4-10 7.26x17 12x21 8.36-31 niet aantrekkelijk. Zwart speelt daarom meestal
5.42-37 4-10. Dat is nodig omdat op 5...12-18 6.39-34 de bomzet 24-30 niet goed
is. Er kan dan volgen de Molimard met 28-22 of klassiek met 40-34 24-29 etc.
Het
strategisch gebruik van de Bomzet is het geheim van de opening. De positionele
dreiging 39-34 wordt met behulp ervan voortdurend bestreden. In diagram 2 is
5.39-34 24-30 verschrikkelijk. Echter na 5.41-37 17-21 6.39-34 is de variatie
6...21-27 7.31x22 24-30 eveneens goed voor een schijf. Na 5.41-37 17-21 6.31-27
12-18 kan zwart inderdaad veld 18 sluiten en zodoende voorgoed een einde maken
aan de dreiging 39-34-29, omdat door het gaatje op 41 de bomzet 7.39-34 24-30
nog steeds goed is voor een schijfwinst.
Delhom meent in diagram 1 de veiligste weg te kiezen. Ton Sijbrands geeft in het boekje 'Beter dammen' de variant 7.37-31 21-26 8.42-37 7-12 9.47-42 aan. Hij stelt dat beide spelers vroeg of laat door temponood gedwongen hun tegenstander de ontwikkeling van de lange vleugel moeten gunnen via 40-34 24-29 resp. 11-17 27-22. De overblijvende positie heeft een lichte vorm van asymmetrie, waardoor de stand interessant blijft in het kader van het laat klassieke middenspel. In een dergelijke variant gaat echter zoveel materiaal van het bord, dat de moeilijkheden van de witspeler behoorlijk wat minder zijn dan die uit de partij.
De
gespeelde zet 13...1-7 is een testzet en kan eigenlijk niet door de beugel. Wit
kan namelijk de suggestie van Ton Sijbrands volgen met 14.37-31 21-26 15.42-37!
Doordat schijf 1 is opgespeeld en vroeg of laat het loslaten van de lange
vleugel opsluiting met 11-17 onvermijdelijk is, gaat het 'tientje uit de hoek'
en dat is jammer in een klassieke middenspelpositie. De zet 13...10-15, die
zwart nu uitspaart komt van pas op de 18e zet.
In de partij komt diagram 5 op het bord. Daarin is 18...11-17 geen geschikte zet, vanwege 10.47-42 met de dreiging 33-29x29. Echter als wit een ander tempo had gemaakt in plaats van 17.49-44, dan was 11-17 wel sterk in aanmerking gekomen en stond schijf 10 nog op zijn plek. Met het tempo 18...10-15 houdt zwart in de partij zijn mogelijkheden open. Zou wit verdergaan met 19.44-40 dan komt 19...11-17 wederom sterk in aanmerking. In de partij speelt wit 19.47-42 en moest zwart veld 18 sluiten.
Wit maakt
het zijn tegenstander niet erg lastig. Na het gespeelde 21.41-37 komt hij onder
zware druk. Met 21.44-40 behoudt hij meer mogelijkheden. Zwart doet er
waarschijnlijk verstandig aan te kiezen voor 21...14-20x20. De afwikkeling
21...12-17 22.27-22 is al gunstig voor wit, maar ook het verloop 21...12-17
22.40-34 17-21 23.34-30 21-26 24.41-37 8-12 25.50-45 2-8 26.45-40 klopt
tempotechnisch niet. De grappige afwikkeling 21...12-17 22.40-34
24-29 23.33x24 19x30 24.28x10 13-19 25.35x22 17x46 26.10-5 etc. is hooguit
remise.
Een
kenmerkende positie is ontstaan in diagram 7. Zwart heeft een formatie op de
korte vleugel en zijn tegenstander niet. In de partij speelt wit 40-34 en
verliest daarmee de formatie 45,40,34 en de controle op de korte vleugel
voorgoed. Voorts ontbreekt het hem even later aan een geschikt tempo om te laten
slaan (als je 31-26 niet als 'geschikt tempo' wilt betitelen).
De zet 24.39-34 heeft hij geen moment overwogen. Vreemd want het kenmerkende poortje 4/15 heeft tijdelijk de bomzet 24...24-30 etc. uitgeschakeld. Het verloop 24...17-21 of 24...17-22 25.28x17 12x21 is niet aantrekkelijk, vanwege de ruil 34-29 en 27-22 of ook 31-26 met oplossingen voor de witte opbouwproblemen. Na 24...14-20 25.29x20 15x24 26.34-29 23x34 27.40x29 dreigt de schijfwinst 29-23 en 28-22x25. Op 27...17-22 28.28x17 11x22 29.43-39 is wit het eerst met de dreiging 29-23. Daarom moet 27...20-25 28.29x20 15x24 29.27-22 18x27 30.31x22 en wederom is wit uit de problemen. Er dreigt 31.33-29x39x14. Op 30...24-30 31.35x24 19x30 32.33-29 komt wit in de aanval.