In de openingswedstrijden om de West Europa Cup speel ik tegen Nico Knoops twee duels in het Kellersysteem, die wellicht enig belang hebben voor de openingstheorie. Op het hoogtepunt van de partij Knoops - Luteijn beging Nico een (schrijf)fout, die hem op slag de tweede nederlaag bracht.
Knoops,N. - Luteijn,F. WEU-chC, 01-05-1981
1.34-29 18-22 2.40-34 12-18 3.45-40 7-12 4.31-26 16-21 5.32-28 19-23 6.28x19
14x23 7.35-30 10-14 8.30-24 23-28 9.40-35 1-7 10.44-40 20-25 11.24-20 15x24
12.29x20 14-19 13.20-15 5-10 14.37-31 9-14 15.34-29 19-23 16.40-34 21-27
17.42-37 11-16 18.37-32 28x37 19.41x21 16x27 20.48-42 14-19 21.42-37 19-24
22.29x20 25x14 23.47-41 7-11 24.50-44 3-9 25.44-40 14-19 26.35-30 11-16 27.37-32
16-21 28.40-35 10-14 29.30-24 19x30 30.35x24 23-28 31.32x23 18x40 X
In diagram 1 het belangrijke moment van de opening. Met 13...11-16 kan zwart het aan laten komen op de Neo-Boom. Mar omdat ik in de gewone Boomvariant een aardig nieuwtje dacht te hebben gevonden, werd er voor 13...5-10 gekozen. Nico maakt er in de partij gebruik van om schijf 50 een andere bestemming te geven als normaal. Na 13...11-16 werd tot nog toe vrijwel uitsluitend 14.37-31 gespeeld. Het is niet helemaal zeker of dat de kansrijkste voortzetting is. Het idee uit de partij Wirny - Wiersma om in de Neo-Boom schijf 37 op zijn plaats te laten, heeft ook in het kampioenschap van Rusland aanleiding gegeven tot een winstpartij. Het verloop van de partij Wirny - Wiersma was:
Wirny,V. -
Wiersma,H. Wch, 09-04-1984
13...11-16 14.44-40 5-10 15.34-30 25x34 16.40x29 19-23 17.29-24 9-14 18.33-29
23x34 19.39x30 14-19 20.30-25 19x30 21.25x34 21-27 22.37-31 10-14 23.43-39 13-19
24.35-30 19-23 25.38-33 8-13 26.45-40 2-8 27.40-35 17-21 28.26x17 12x21 29.33-29
7-12 30.30-25 21-26 31.29-24 26x37 32.41x21 16x27 33.34-30 14-19 34.25-20 12-17
35.30-25 19x30 36.25x34 3-9 37.42-37 6-11 38.47-41 11-16 39.49-43 17-21 40.37-31
21-26 41.41-37 27-32 42.35-30 32x41 43.46x37 8-12 44.43-38 16-21 45.30-24 21-27
46.34-30 23-29 47.24x33 18-23 48.39-34 28x39 49.34x43 23-28 50.30-24 12-17
51.37-32 28x37 52.31x42 22-28 53.42-37 17-22 54.48-42 28-33 55.38x29 22-28
56.42-38 X
Het terughouden van schijf 37 en de ruil 18.33-29 23x34 19.39x30 is opmerkelijk.
Inmiddels is hij in 6 van de 11 gespeelde voorbeelden gedaan. Het bevrijdt het
witte centrum enigszins, zodat het materiaal daarvan naar de korte vleugel kan
voor de opmars naar veld het damveld 5. Dit best interessante idee in de
Neo-Boom is inmiddels al weer evenzeer vergeten als de Boom- en de
Neo-Boomvariant zelf.
De aantrekkingskracht van een zet als 14.37-31 zit hem in het afdwingen van de verzwakking 7-11. Maar aangezien inmiddels is gebleken, dat ook dan het tegenhouden van de bevrijding 17-21x21 niet eenvoudig is en in de Neo-Boom de uitval naar 32 als een serieus probleem moet worden gezien, is het op zijn plaats houden van schijf 37 best een aardig idee. Ton Sijbrands merkte naderhand op, dat zwart de thematische ruil 17-21x21 wel erg lang uitstelt.
Op de club hebben we vanuit diagram 2 met name de variant 18.37-31 21-27 19.33-29 23x34 20.39x30 17-21 21.26x17 12x21 aan een onderzoek onderworpen. Daarbij bleek ons dat zwart zijn korte vleugel niet eenvoudig blijvend kan bevrijden, terwijl wit de aanval aan de andere vleugel gewoon doorzet. Het ontbreken van de formatie 3,4,9,14 speelt zwart parten. In Wirny - Wiersma en onderstaande partij van der Kooij - Teer is opmerkelijk, dat de zwarte aanval met de korte vleugel compleet lam gelegd wordt. In andere varianten van de Keller lukt dat vrijwel nooit. Wat is het verschil of overzien we een of andere simpele weerlegging (?)
Kooij,van
der,W. - Teer,F. NLD-ch qf5, 03-05-1984, 1-1
18.33-29 23x34 19.39x30 14-19 20.30-25 19x30 21.25x34 21-27 22.37-31 10-14
23.43-39 17-21 24.26x17 12x21 25.38-33 7-12 26.45-40 13-19 27.35-30 8-13
28.30-25 18-23 29.31-26 3-8 30.26x17 12x21 31.34-30 6-11 32.40-35 11-17 33.41-37
21-26 34.37-31 26x37 35.42x31 16-21 36.31-26 13-18 37.30-24 19x30 38.25x34 8-13
39.47-42 27-32 40.49-43 21-27 41.46-41 2-7 42.42-38 7-12 43.33-29 27-31 44.26x37
13-19 45.38x27 22x42 46.48x37 17-21 47.35-30 12-17 48.29-24 17-22 49.24x13 18x9
50.37-31 21-27 51.41-37 27-32 52.30-24 32x41 53.36x47 28-32 54.24-19 32-38
55.19x17 38x49 56.17-11
Jannes van der Wal merkt op dat deze variant wel aardig lijkt, maar dat na 16...7-11 in diagram 3 weer de normale hoofdvariant van de Neo-Boom op het bord staat. Door het zetje 28-32 en 19-23 is de opbouw met 17.45-40 verhinderd en heeft wit niet anders dan 17.37-31.
Veel
belangrijker zijn de gebeurtenissen later in de partij Wirny - Wiersma. Een van
de grote problemen voor de omsingelaar in de Keller is de langdurig volgehouden
aanval tegen de lange vleugel door de aanvaller. Regelmatig is het mij
overkomen, dat een tegenstanders twee of driemaal het tweepootje 36,31 onder
vuur namen en na het opgeven ervan door mij remise aanboden.
De aanval aan de andere kant van het bord
kan eigenlijk niet slagen als de aanvaller niet gestopt wordt. Wadim Wirny komt
met een manoeuvre, die ik indertijd gezien moet hebben, vergeten ben en die een
interessant antwoord lijkt te bieden op het cruciale probleem van de
omsingelaar.
Zwart heeft in diagram 4 de aanval ingezet tegen de witte lange vleugel. Met wat tactische wendingen weet wit de achterloop 21-26 nog tegen te houden. Maar het moge duidelijk zijn, dat deze finesses niet bestendig zijn. Daarna lijkt de zwarte aanval in het centrum en op de korte vleugel niets meer in de weg te liggen.
In diagram
5 heeft zwart zich bevrijdt. Dat is weliswaar enigszins ten koste gegaan van de
verdediging van de eigen lange vleugel. Maar een echte witte doorbraak ligt nog
ver in de toekomst. In de partij gaat hij verder met de normale zet 34...12-17.
Daarna lijkt de insnoering van diens vleugel niet meer te vermijden. De ruil
34...27-31, die het belangrijkste aanknopingspunt van de zwarte aanval (schijf
36) oplost, is een manier om speelvrijheid te behouden en het vege lijf te
redden.
Het idee om je aan de lange vleugel te
laten opsluiten en zo de voortgang van de zwarte aanval te stopen is bekend. In
de praktijkvoorbeelden staan meestal een groot aantal stukken in de opsluiting.
Met een half dozijn stukken werkeloos aan het blokken van de zwarte korte
vleugel ontstaat er een gebrek aan actieve op de rest van het bord.
Wirny slaagt er in de partij in om een buitengewoon efficiënte opsluiting te realiseren met slechts de drie stukken 31,37,36 (en tijdelijk 46). De zet 38.47-41 is in tegenspraak met alles wat voorheen geprobeerd is. Maar het werkt. Je ziet het wel vaker in Keller bij zowel de aanvaller als de verdediger, dat schijf 46 zo snel mogelijk in het spel wordt gebracht, terwijl het hier en elders in feite een geweldige stopschijf is.
In diagram 7 probeert zwart met 41...27-32 nog wat leefruimte te creëren. Maar aldra moet er geofferd worden. Het versterken van het centrum met 13-19 is nu niet mogelijk vanwege het dammetje 39-33x2. Na 41...8-12 42.43-38 is 13-19 nog steeds geen geweldige zet. Maar het is ook niet eenvoudig te weerleggen. Beter lijkt 41...8-12 42.35-30 12-17 43.43-38 17-21 44.48-43 27-32 45.38x27 21x41 46.46x37 16-21 47.43-38 21-27 48.30-24 en zwart heeft geen zet meer. Ook 41...8-12 42.35-30 27-32 43.48-42 32x41 44.46x37 28-32 45.37x28 26x37 46.39-33 is troosteloos.
In
de partij van der Kooij - Teer een meer conventionele aanpak. Wit heeft de
beslissingen op de lange vleugel langdurig uitgesteld. In diagram 8 probeert hij
de zwarte aanval op de korte vleugel met de manoeuvre 41-37-31 te stoppen. In de
partij wordt dat met 35...16-21 niet of nauwelijks betwist.
Logischer lijkt 35...8-12. Dat dreigt met 17-21-26 eventueel gevolgd door 16-21-26 resp. 12-18, 17-21 (31-26) 27-32 etc. Weliswaar is dat niet goed voor de verdediging van de eigen lange vleugel. Maar bevrijdt heeft zwart aanzienlijk meer tegenspel, dan opgesloten zoals in de partij.
Het was mij in eerste instantie niet duidelijk hoe wit met acties op de eigen korte vleugel deze breekacties zou kunnen voorkomen. Flits komt echter met 35...8-12 36.49-44 17-21 37.30-24 12-18 38.24-19 13x24 39.31-26 14-19 resp. 35...8-12 36.49-44 12-18 37.44-40 17-21 38.30-24 19x30 39.35x24 23-29 40.24-20 29x38 41.20x9 38-43 42.40-35 43x34 43.9-3 39-34 44.3x26 39-44 45.26-21 X. In de eerste variant is er nog sprake van wat compensatie. De tweede is waarlijk gruwelijk. Flits adviseert in deze variant het geduldige 37...2-8 38.40-34 17-21 39.30-24 19x30 40.35x24 8-12 en het is niet eenvoudig voor wit om verder te komen. Veld 32 wordt in sommige variant wel wat voor zwart.
In de partij
Knoops - Luteijn niets van dit alles. Wit speelde in diagram 1 gewoon het
gebruikelijke 14.37-31. Ik heb nog overwogen op een reprise van de partij Luteijn
- Palmer aan te sturen via 14...10-14 15.34-29 19-23 16.50-45 23x34 17.40x29
14-19 18.45-40 19-24x14. Wit zit dan klem in het centrum. Zijn resterende
stukken op de korte vleugel lijken onvoldoende om de omsingeling voort te
zetten. Het bezwaar van 14...10-14 leek mij 15.50-45 19-23 16.41-37 met de
wellicht vervelende dreiging 38-32.
In welke mate dat terecht is? Ik weet het niet. Na 16...11-16 (diagram 10) is de ruil 17.34-29 23x34 18.40x29 7-11 of 14-19-24 vervelend. Wit heeft een groot aantal stukken op de lange vleugel en in het centrum, waarvoor geen direct toekomst lijkt. Na 17.38-32 is 17...21-27 18.32x21 16x27 19.42-38 gevolgd door 46-41 en 34-29x29 niet erg prettig voor zwart. Ook 17...7-11 18.42-38 is niet de oplossing. Het vervolg 18...21-27 is niet geweldig, terwijl op 18...13-19 de afwikkeling 19.31-27 overwogen wordt. Wel speelbaar is de ruil 17...23-29.
Tijdens een partij voor de onderlinge van RDG tegen Leo Rosendaal ontdekte ik de mogelijkheid 16...21-27 17.34-29 23x34 18.40x29 (anders kan 17-21x21) 18...13-19 19.45-40 19-23 20.40-34 11-16 21.47-41 17-21 22.26x17 12x21 en 23.29-24 leek mij niet gevaarlijk. De afwikkeling 19.38-32 of 19.15-10 14x5 20.38-32 leek mij niet beslissend. Het moge duidelijk zijn dat geen zwartspeler dat toelaat.
Je maakt je
wat zorgen tegenwoordig. In de tijd van mijn tegenstander Jeroen Sterel uit de
competitiewedstrijd RDG- IJmuiden heb ik mij met zwart in de stand van diagram
11 zorgen zitten maken over de variant 15...3-9 16.41-37 11-16 17.34-29 19-23
18.47-41 23x34 19.40x29 7-11 20.45-40 14-19 21.40-34 10-14. Er stond mij iets
bij van een partij van Sijbrands, waarin zwart aldus werd ingeblikt:
Sijbrands,T. - Beerepoot,G. IJmuiden oc,
12-03-1980
14.37-31 10-14 15.34-29 19-23 16.44-40 23x34 17.40x29 14-19 18.45-40 19-23
19.40-34 9-14 20.41-37 11-16 21.46-41 7-11 22.31-27 21x32 23.38x27 22x31
24.36x27 3-9 25.33x22 17x28 26.41-36 12-17 27.37-31 17-22 28.42-38 11-17
29.29-24 14-19 30.34-29 19x30 31.35x24 23x34 32.39x30 25x34 33.26-21 17x37
34.38-32 22x31 35.32x14 37-41 36.36x27 41-46 37.24-19 13x24 38.14-9 4x13
39.47-41 46x21 40.43-38 21x43 41.48x8 2x13 42.15-10 X
Op het
eerste gezicht lijkt zwart zich geen zorgen te hoeven te maken. Met 14...9-14
wordt de angel uit de Boomvariant getrokken. De Bronstring finesse: 15.34-29
19-23 16.50-45 23x34 17.40x29 21-27 18.42-37 11-16 19.47-42 6-11 hindert wit in
zijn opbouw. De opmars 45-40 is steeds verhinderd door de hielslag 27-32 etc.
Via 20.37-32 28x37 21.41x21 16x27 22.42-37 kan een open stelling bereikt worden, waarvan de uitkomst wat ongewis is. Zwart kan de opmars van schijf 45 nog een paar zetten stoppen met 22...13-19. Anderzijds is de herhaalde achterloop over veld 32 een probleem.
In de
partij Knoops - Luteijn hebben we een net iets andere situatie. Wit neemt vanuit
diagram 13 de ruil 18.37-32 en kan dat in principe nog een keertje herhalen,
doordat 48 en 47 nog naar links kunnen. Eerst in diagram 14 begon ik mij oprecht
zorgen te maken over de gezondheid van de zwarte stelling.
Aanvankelijk was ik van plan om met
25...2-7 verder te gaan. Met als bedoeling 26.35-30 27-32. Echter op dit moment
ontdekte ik problemen, zoals 25...2-7 26.34-30 23-28 27.40-34 14-19 28.34-29
19-23 29.29-24! en zwart kan opgeven. Op 28...10-14 kan de bekende wending
38-32x23 en 37-32x32 en wit heeft veel vrijheid en heel erg veel tempi. De
beginzet 25...11-16 heeft het bezwaar dat de afwikkeling 26.35-30 27-32 wat
minder is.
Op dit moment besloot ik tot het wanhopige plan met de parti Bonnard. De stukken 46, 41 en 37 staan dan wat minder. De beste kans leek mij de manoeuvre 25...14-19 26.35-30 11-16 27.30-25 10-14 28.33-29 16-21 29.40-35. Overwogen werd ook het scherpe 27...19-24. In de partij laat hij dit niet toe. Wellicht heeft hij 16-21 niet aan zien komen. Het moge duidelijk zijn, dat 25...14-19 26.35-30 11-16 27.37-32 6-11 of 10-14 dreigt de zwart stand geblokkeerd te worden door 33-29, terwijl 28-23 op allerlei wijzen combinatief verhindert is.
In de slotstand besloot wit tot de ruil 30-24x25. Het uitspelen van de tempi met 29.30-25 6-11 30.33-29 11-16 activeert op diverse manieren de zwarte stukken. Na 30-24x25 (13-19) 33-28 (22x44) 31x24 (44-50) ontstaat een griezelig eindspel. Flits heeft het bijvoorbeeld over de afwikkeling 24-19 (4-10) (50-22x47) 36-31.