Baliakin maakt ene uitvoerige studie van de omknelling van de zwarte stand in de Rewoenets variant en toont aan dat zwart het ene en ander niet hoeft te vrezen. Iedere bevrijding geeft een langdurige en kansrijke aanval tegen de verzwakte witte lange vleugel.

1.34-29 17-22 2.40-34 11-17 3.45-40 6-11 4.50-45 1-6 5.31-26 16-21 6.32-28 19-23 7.28x19 14x23 8.35-30 10-14 9.30-24 22-28 10.33x22 17x28 11.26x17 11x22 12.38-33 20-25 13.24-20 15x24 14.29x20 5-10 15.20-15 14-19 16.42-38 10-14 17.38-32 7-11 18.43-38 2-7 19.40-35 19-24 20.44-40 23-29 21.32x23 24-30 22.35x24 29x20 23.15x24 18x20 24.37-32 14-19 25.41-37 13-18 26.46-41 8-13 27.48-43 3-8 28.47-42 11-17 29.37-31 6-11 30.41-37 22-27 31.31x22 18x27 32.32x21 17x26 33.38-32 13-18 34.33-28 11-17 35.42-38 17-22 36.28x17 12x21 37.39-33 20-24 38.33-28 21-27 39.32x21 26x17 40.38-32 18-23 41.36-31 17-21 42.43-39 9-13 43.31-27 21-26 44.49-44 8-12 1-1
 

Baliakin denkt, dat de zet 17...6-11 de beste manier is om via tempodwang tot een bevrijding van de zwarte korte vleugel te komen. Hans Vermin heeft niet opgelet en speelt prompt 17...7-11 en 18...2-7. Dat geeft zwart tegen een geringe verzwakking van de centrumstand een extra schijf op de korte vleugel plus en extra vrij tempo. Baljakin geeft alleen 17...7-11 18.43-38 11-16 aan, dat slecht is voor zwart, vanwege 19.36-31! en de transactie 19...22-27 20.33x22 27x36 21.49-43 18x27 22.32x21 16x27 23.34-30 en 37-31 X verliest, zodat de omsingeling ongestoord voortgang kan vinden. Na 17...6-11 18.43-38 11-16 (diagram) is het moeilijk om verder te komen met de omsingeling.

 

Vorige keer zagen we reeds de gevolgen van de wachtzetten 40-35 en 44-40. De heren Baljakin en Rewoenets verdiepen zich ook in de alternatieven 19.47-42, 19.48-43 en 19.49-43. De voortzetting 19.47-42 is de minste, vanwege 19...16-21 20.36-31? 25-30 21.34x25 23-29 22.32x34 22-28 X. De voortzetting 19.48-43 16-21 20.36-31 geeft weliswaar het belangrijke steunpunt 48 op, maar is interessant vanwege wat elementaire combinatiemogelijkheden:

Aangewezen is 20...21-26 met vele pagina's analyse als gevolg. Wit moet kiezen uit 21.41-36 7-11 22.32-27 en 21.32-27. D.w.z. de keuze tussen verhinderden van de opbouw 12-17, 8-12 en een fraaiere opbouw. Het bezwaar van 19.48-43 t.o.v. 19.49-43 moet gevonden worden in de onvermijdelijk uitbraak van zwart via 19-24 gevolgd door 14-20. Schijf 49 is dan niet belangrijk meer, terwijl 48 handig is om druk uit te oefenen tegen 24. Baljakin illustreert dat met de variant: 19.49-43 16-21 20.36-31 21-26 21.40-35 7-11 22.44-40 2-7.

 

Er dreigt nu 22-27. Na 23.32-27 12-17 24.27-21 8-12 25.21-16 28-32! 26.37x28 (of?) 23x32 27.38x27 26x37 28.41x32 22x31 ontstaat een aardige stelling. Het alternatief 23.32-27 11-16? 24.33-29 7-11 (12-17? 37-32!)  25.38-33 11-17 26.29-24 eindigt in een waar bloedbad voor zwart.

 

Rewoenets bestudeerde vooral het plan 21.32-27 12-17 22.38-32 8-12 23.43-38 7-11 24.27-21 19-24 25.48-43 (Ondervariant is 25.21-16 14-19 26.16x7 2x11 met mogelijkheden 27.40-35, 27.48-43 en 27.41-36) 24-29 26.33x24 14-20 met de voortzettingen 27.31-27, 27.34-29, 27.34-30, 27.41-36 en 27.24-19, die ik jullie verder maar wil besparen.

 

De versterking van Hans Vermin met 17...7-11 18.43-38 2-7 maakt ons minder afhankelijk van bovenstaande scherpe varianten, waarvan de strekking en de correctheid nauwelijks is na te gaan. Het probleem is, dat 19.49-43 11-16 20.47-42 6-11 of 16-21 heeft wit geen tempi om de zetjes resp. de bevrijdingen eruit te houden. De afwikkeling uit de partij Luteijn - Vermin 19.40-35 19-24 20.44-40 23-29 21.32x23 24-30 22.35x24 29x20 23.15x24 18x20 is houdbaar voor wit. Maar schijf 25 is eerder een nadeel dan een voordeel door de enorme ontwikkelingsvoorsprong van zwart.