De afgelopen afleveringen is de hekstelling uit de 34-29 19-23 opening aan de orde geweest. Beide spelers hebben kansen en vrijwel altijd ontstaat een levendig spelbeeld. Begin jaren 80 verscheen opeens uit het niets een nieuwe witte opbouw. Vaak leidde dat tot schitterend, woest spel. Soms tot een gewone, goede hekstelling. Nooit tot saai spel. Er zijn wat zetjes belangrijk. Deze zgn. Leningrader variant begint meestal als volgt:

Duyvenbode,van,C. - Aalten,van,H. NLD-chT, 24-11-1984
1.34-29 19-23 2.40-34 14-19 3.45-40 10-14 4.50-45 5-10 5.31-26 20-25 6.37-31 14-20 7.42-37 9-14 8.48-42 3-9 9.31-27 19-24 10.36-31 14-19 11.27-22 18x36 12.29x18 13x22 13.37-31 36x27 14.32x21 16x27 15.38-32 27x29 16.34x5 9-13 17.5-37 22-28 18.37x30 25x34 19.39x30 4-9 20.44-39 17-21 21.26x17 11x22 en zwart won later.

De bedoeling van de witspeler is het toelaten van de kettingstelling en die pas na geruime tijd te verbreken. Het vertraagd openen van het centrum heeft de verdienste, dat alle belangrijke beslissingen op de zwarte lange vleugel dan al genomen zijn. Vaak is veld 19 gesloten. Soms staat schijf 3 op het troosteloze veld 4. Schijf 47 en niet schijf 48 is de belangrijkste schijf op het bord. Schijf 47 blokkeert zetjes naar 47. Speelt wit schijf 48 niet direct, dan moet hij het vaak de rest van de partij zonder deze extra schijf op de lange vleugel doen.

Een overtuigende weerlegging van dit schijnbaar idiote systeem is (nog) niet gevonden en onderweg doen zich allerlei aardige zetjes voor. De bovenstaande damzet is ten onrechte door een aantal witspelers genomen. Na damafname ging menig witspeler aan het zwarte centrum overwicht ten onder.

In diagram 2 is de voortzetting 11.41-36 veel sterker. Na 11...10-14 beschikt wit over de finesses 12.27-21 16x27 13.32x21 23-28? 14.33x22 18x16 15.29-23 19x28 15.34-30 X. Daarom gaan vrijwel alle zwartspelers verder met 11.41-36 17-22 12.46-41 11-17 13.27-21 16x27 14.32x21 6-11 15.21-16 (diagram 3)

Deze stelling heeft zich inmiddels behoorlijk vaak voorgedaan soms met schijf 4 op 3. Wit dreigt met de oversteek (15...10-14) 16.31-27 22x31 17.36x27 en 18.27-21. Menig zwartspeler reageerde daarom met 15...1-6 16.38-32 22-28 17.33x22 18x38 18.42x33 en ontdekte tot zijn ontsteltenis het zetje van Berger, dat kan volgen op het sluiten van veld 18. In diagram 4 is dit zetje echter na zowel 12-18 als 13-18 helemaal niet goed.

Maar in dit stadium van de partij zijn de verraste zwartspelers meestal niet meer tot helder denkwerk in staat. Vrijwel altijd wordt 10-14 gespeeld. Echter na 12-18 of 13-18 moet wit verder ploeteren met 37-32, 41-37 en 47-41 om overeind te blijven. Met schijf 4 op 3 daarentegen is het zetje 18...12-18 (of 13-18) 19.35-30 24x35 20.26-21 17x26 21.33-28 23x32 22.37x28 26x46 23.29-23 18x29 24.34x5 46x23 25.5x37 op slag uit.

Deze opening is voor wit aanmerkelijk degelijker, dan hij eruit ziet. De stand van diagram 6 met schijf 2 of 3 op veld 10 mag natuurlijk nooit voorkomen, omdat wit dan aan zet is. Truus merkt op wit zich dan via de ruil 13.27-21 16x27 14.31x22!! ruimschoots in veiligheid kan brengen.

In de diagramstand wordt vrijwel altijd 12...17-21 13.26x17 11x22 14.31-26 22x31 15.36x27 gespeeld. Zwart moet nu loslaten met 15...12-17, want de wending 15...6-11? 16.27-22 18x27 17.29x18 12x23 18.32x21 16x27 19.34-30 en 33-29 kost minstens een schijf. Na 15...12-17 16.27-21 16x27 17.32x12 8x17 18.38-32 en 32-28x28 heeft zwart een gebonden stelling. Naderhand het logische ruiltje naar 22 is geen vetpot, omdat wit dank zij 6.48-42 over een extra schijf op de lange vleugel beschikt.

Uit de jaren 40 bestaan tal van voorbeelden met (15...12-17) 16.41-36 8-12 17.27-21x21. De kettingstelling bleek zelden gevaarlijk voor wit. Tijdens de clubcompetitie 1992 deed zich een interessant geval voor, waarin wit zelfs wist te winnen. Zwart heeft zoveel materiaal in de opsluiting zitten, dat zijn korte vleugel gevoelig wordt voor uitputting.

Hilberink,E. - Draaisma,G. NLD-chT, 12-12-1992
1.34-29 19-23 2.40-34 14-19 3.45-40 10-14 4.50-45 5-10 5.31-26 20-25 6.37-31 14-20 7.41-37 10-14 8.46-41 4-10 9.31-27 19-24 10.37-31 14-19 11.42-37 17-21 12.26x17 11x22 13.48-42 6-11 14.31-26 22x31 15.36x27 11-17 16.41-36 10-14 17.27-21 16x27 18.32x21 17-22 19.21-16 7-11 20.16x7 2x11 21.37-31 12-17 22.31-27 22x31 23.36x27 11-16 24.38-32 8-12 25.42-38 3-8 26.27-21 16x27 27.32x21 17-22 28.21-16 12-17 29.38-32 8-12 30.47-41 1-7 31.41-36 7-11 32.16x7 12x1 33.36-31 1-6 34.32-27 6-11 35.27-21 22-27 36.21x32 X

Met schijf 3 op 4 in diagram 7 zou zwart zich alleen nog kunnen redden met het onaantrekkelijke 24-30. In een correspondentiepartij Stoutjesdijk - Koerselman wisselden de spelers wat zetten om en slaagde zwart erin schijf 1 naar veld 11 te laten oversteken. Wit maakte toen remise met 27-22:

Stoutjesdijk,M. - Koerselman,J. NLD-chC sfa, 01-01-1984
1.34-29 19-23 2.40-34 14-19 3.45-40 10-14 4.50-45 5-10 5.31-26 20-25 6.37-31 14-20 7.41-37 10-14 8.46-41 4-10 9.32-27 19-24 10.37-32 14-19 11.42-37 17-21 12.26x17 11x22 13.48-42 7-11 14.31-26 22x31 15.36x27 1-7 16.27-22 18x27 17.32x21 16x27 18.29x18 12x23 19.34-30 25x34 20.40x18 13x22 21.33-29 24x33 22.39x17 11x22 23.37-32 6-11 24.32x21 11-16 25.41-37 16x27 26.37-32 7-11 27.32x21 11-16 28.42-37 16x27 29.37-32 =

Een zwartspeler, die niets voelt voor de scherpe varianten uit diagram 3 heeft slechts één bevredigende manier om af te wijken. Na 8...4-9 9.31-27 moet hij direct 9...17-21 10.26x17 11x31 11.37x26 19-24 doen. In het wereldkampioenschap correspondentiedammen speelde ik vanuit diagram 8 het ongeïnspireerde 12.41-37? 16-21 13.26x17 12x21 14.46-41 21-26 15.34-30? Na het slaan was de witte korte vleugel verzwakt, ontbreekt de kroonschijf en kan wit alleen nog maar wat spartelen.

Luteijn,F. - Beyaert,J. WchC, 01-01-1994
9.31-27 17-21 10.26x17 11x31 11.37x26 19-24 12.41-37 16-21 13.26x17 12x21 14.46-41 21-26 15.34-30 23x34 16.30x19 14x23 17.39x30 25x34 18.40x29 23x34 19.44-40 13-19 20.40x29 19-24 21.45-40 en later remise. 

In de partijen Alfaisi - Valneris (wk 88) en Caubo - Vandenberg (Brunsum 90) bleek 15.32-28 23x32 16.37x28 7-11 17.41-37 18-22 18.28x17 11x22 19.38-32 22-27 ook geen vetpot voor wit. Schijf 9 is immers bevrijd. Dibman heeft tweemaal 12.41-37 gespeeld (tegen Wirny en Skliarof). Beiden spelers misten het ijzersterke 12...16-21!

In de correspondentiepartij Wortman - Leeuwenkamp daarentegen kreeg wit bevredigend spel met 12.36-31 (diagram 9) 14-19 15.31-27 10-14 16.41-37 12-17 17.27-31 16x27 18.32x12 8x17 19.38-32. In plaats van 12...14-19 kan zwart de kettingstelling handhaven met 12...12-17 of 12...6-11. Een ander idee voor wit is in diagram 8 de zet 12.42-37 met de bedoeling 32-28x28 te ruilen. Zwart moet dan een belangrijke beslissing nemen (14-19! is vrij goed).