De voorgaande afleveringen concentreerden we ons op de behandeling van de hekstelling gekenmerkt door een afwachtende houding van de witspeler. Vandaag aandacht voor het lot van (te) voortvarende witspelers. De reden om op te bouwen met 8-13 i.p.v. 9-13 wordt duidelijk, als wit in de diagramstand verder gaat met 14.32-28. Zwart komt dan tot belangrijk voordeel door de dubbelruil 17-21x22x21. Wit is vrijwel verplicht tot de achterloop 31-26. Op 17.38-32? volgt immers de Haarlemmer 24-30 en 18-23 X. Hieronder ziet u wat kan gebeuren als wit besluit tot een van de alternatieven 17.42-37? of 17.31-27?

Heij,J. - Braak,van den,W. NLD-chT 1a, 26-10-1991
1.34-29 19-23 2.40-34 14-19 3.45-40 10-14 4.50-45 5-10 5.31-26 20-25 6.37-31 14-20 7.41-37 9-14 8.46-41 4-9 9.32-28 23x32 10.37x28 19-23 11.28x19 13x24 12.41-37 8-13 13.37-32 2-8 14.32-28 17-21 15.26x17 11x22 16.28x17 12x21 17.42-37 21-26 18.48-42 7-12 19.31-27 1-7 20.37-32 14-19 21.47-41 10-14 22.41-37 6-11 23.29-23 18x29 24.34x23 19x28 25.33x22 13-19 26.32-28 8-13 27.39-33 12-18 28.33-29 24x33 29.28x39 7-12 30.39-34 20-24 31.34-30 25x34 32.40x20 15x24 33.43-39 19-23 34.44-40 14-19 35.40-34 9-14 36.34-30 23-29 37.30-25 19-23 38.39-34 29x40 39.35x44 14-19 40.49-43 3-9 41.43-39 9-14 42.45-40 24-29 43.39-33 29-34 44.40x29 23x34 45.38-32 14-20 46.25x23 18x47 X

De voortdurende dreigende Haarlemmer dwingt wit om zich in allerlei bochten te wringen. In diagram 3 is 19.38-32 verhinderd door 19...24-30 20.35x24 18-23 21.29x7 20x27 22.31x22 1x12 en schijf 22 is reddeloos. Heel erg is ook de partij:

Pylaew,A. - Davidow,S. URS-ch, 01-10-1964
17.31-27 21x32 18.38x27 7-12 19.43-38 6-11 20.42-37 11-17 21.47-42 17-21 22.37-32 1-7 23.49-43 14-19 24.36-31 9-14 25.42-37 21-26 26.48-42 3-9 27.29-23 19x28 28.33x22 16-21 X

Een zestigtal partijen is gespeeld met 14.32-28? Slechts een beperkt aantal zwartspelers wisten de buit netjes binnen te halen. In de onderstaande partij gaat het aanvankelijk naar wens, maar de slotfase is verre van vlekkeloos.

Poppe,K. - Luteijn,F. VDK, 13-08-1980
17.31-26 7-12 18.26x17 12x21 19.42-37 6-11 20.37-32 21-26 21.32-28 16-21 22.28-23 11-16 23.23x12 8x17 24.38-32 3-8 25.48-42 13-18 26.43-38 18-22 27.32-28 22-27 28.28-23 8-13 29.42-37 27-31 30.36x27 21x41 31.47x36 17-21 32.49-43 13-19 33.35-30 19x28 34.30x19 14x23 35.33x22 21-27 36.29x18 16-21 37.22x31 26x37 38.18-12 9-13 39.34-30 25x34 40.40x29 20-24 41.29x20 15x24 42.44-40 21-27 43.40-35 10-14 44.39-33 27-31 45.36x27 37-41 X

In diagram 4 laat zwart zich verrassen door de finesse 31...17-21? 32.49-43 13-19 33.35-30 en 33...24x35 wordt beantwoord met 34.29-24 20x18 35.36-31 26x37 36.38-32 =. Het schijfoffer uit de partij is overigens kansrijk. In diagram 5 hebben we de sleutelpositie van deze openingsvariant. Zwart dient verder te gaan met 21...16-21! en niet met het voor de hand liggende 21...1-6? Dan komt wit namelijk in het voordeel met 22.28-23 16-21? 23.23x12  8x17 24.34-30 25x23 25.33-28 23x32 26.38x7 X. De eerste speler, die opmerkte dat wit na 21...16-21 een alternatief heeft voor 22.28-23 of 22.48-42, was Stoutjesdijk tegen mij in het Nederlands kampioenschap correspondentiedammen 1980.

22.38-32! 1-6 23.36-31 26x37 24.32x41 21-26 25.41-37 11-17 26.43-38 17-21 27.47-41 18-22 28.28x17 21x12 29.38-32 13-18 30.32-27 12-17 31.41-36 9-13 32.27-21 18-22 33.21x12 8x17 34.49-43  3-8 35.37-32 13-18 36.34-30 25x23 37.33-28 22x33 38.39x30 20-24 39.30x19 14x23 40.48-42 17-22 41.42-37 6-11 42.44-39 15-20 43.43-38 20-24 44.39-33 11-16 45.40-34 10-14 46.34-30 14-19 47.45-40 8-12 en zwart won.

De Haarlemmer 21...16-21 22.38-32 24-30 23.35x24 18-23 24.29x18 20x27 25.39-33 14x23 26.28x6 laat zwart een kreupele korte vleugel. Op het afspel van de partij was ik indertijd nogal trots. Maar ik kan hem nu niet meer uit het hoofd reconstrueren. Ik wordt oud. Het toelaten van de drie om drie 36.34-30 was de enige winstkans en werd indertijd tot ver in het afspel doorgerekend. Een van de eerste en fraaiste partijen is het duel Schotanus - Wiersma. Een groot aantal belangwekkende finesses werd ontdekt:

Schotanus,A. - Wiersma,H. Leeuwarden trn, 12-04-1968
19.42-37 21-26 20.37-32 6-11 21.48-42 1-6 22.47-41 14-19 23.42-37 18-22 24.32-28 13-18 25.28x17 11x22 26.37-32 16-21 27.41-37 21-27 28.32x21 26x17 29.38-32 19-23 30.33-28 24x33 31.28x19 9-13 32.39x28 13x24 33.36-31 22x33 34.34-30 25x34 35.40x38 10-14 36.44-39 8-12 37.45-40 24-30 38.35x24 20x29 39.49-44 14-19 40.39-34 19-23 41.44-39 6-11 42.31-26 15-20 43.32-27 20-24 44.37-32 11-16 45.39-33 17-22 46.40-35 29x40 47.35x44 22x31 48.26x37 24-29 49.33x24 23-28 50.32x23 18x20 =

Diagram 6 is meerdere malen voorgekomen. Schotanus is de enige, die reageerde met het scherpe 22.47-41! Zwart moet dan rekening houden met een aantal zetjes. Op het apositionele 22...8-12 kan naast 34-30 en 33-29 ook gewoon afwachten. In de partij wil Harm niets toelaten en besluit tot de concessie 22...14-19. Het gevolg is, dat schijf 9 dreigt te blijven hangen.

Zwart probeert wanhopig schijf 9 er alsnog uit te krijgen en wordt andermaal geconfronteerd met zetjes, die hem dwingen om af te haken. Na 27...10-14 in diagram 7 volgt het dammetje 37-31, 35-30 en 29-23x4 =. De actie 29...19-23 later in de partij is een beetje een noodsprong. Kennelijk vreesde zwart 30.32-28 met inklemming van de zwarte korte vleugel.

Het is niet direct duidelijk of deze angst terecht is. Op de beginzet 29...10-14 volgt 30.32-28 8-12 31.36-31 9-13 32.31-26 en zwart komt rechts niet meer verder. De damzet 29...10-14 30.32-28 8-12 31.36-31 6-11 32.31-27 en 28-23 is dik gewonnen voor wit. De afwikkeling 29...10-14 30.32-28 9-13 31.35-30, 23-28 en 29-24x21 is goed voor wit. Ook 28...10-14 29.32-28 6-11 30.36-31 9-13 31.37-32 met de dreiging 32.32-27 is goed voor wit. Na 29...9-13 30.32-28 6-11 31.43-38 10-14 32.28-23, 35-30 en 29-24x21 is de stand houdbaar voor wit. 

Tsjoelkow,A. - Mitsjanski,N. URS-Cup, 17-09-1983
21.32-28 1-6? 22.48-42? 18-22 23.28x17 11x22 24.38-32 22-27 25.32x21 26x17 26.42-38 16-21 27.36-31 21-26 28.29-23 26x37 29.23-19 14x23 30.38-32 37x28 31.33x11 6x17 32.34-30 25x34 33.39x28 met een moeizame remise voor wit.

De heren overzien beiden het probleem 22.28-23! met zetdwang. Daarna is zwart weer aan de leiding tot hij in diagram 9 achteloos 26...16-21 speelt. De partijafwikkeling laat zwart weliswaar makkelijker spel, maar handhaven van het spelbeeld met b.v. 26...17-21 27.38-32 13-18 28.32-28 9-13 29.43-38 21-26 30.49-43 16-21 ligt meer voor de hand. Na deze zetten heeft wit niets aan 31.28-23 21-27 32.23x12 8x17 X. Ook op 31.47-42 18-22 32.28x17 21x12 heeft zwart groot voordeel, doordat hij schijf 9 heeft weten op te lossen zonder ingrijpende beslissingen als 14-19.