Ton Sijbrands adviseerde in het boek over de match tegen Andreiko in de hekstelling uit 34-29 19-23 opening de zet 8-13. De meerderheid van de zwartspelers volgt dit advies nog steeds. Wit krijgt voldoende tegenspel, dank zij de gedeplaceerde schijf 9. Ook andere zaken spelen een rol. Een belangrijk punt is de tempoverhouding. Een ontwikkelingsvoorsprong vergemakkelijkt het uitdunnen van de witte vrije stukken. Maar nog belangrijker is de situatie na het verbreken van de hekstelling. De speler met ontwikkelingsvoorsprong blijkt in de gedunde stand vrijwel altijd duidelijk aan de leiding te gaan. Daarom versterkt wit (60 gevallen) wel eens zijn spel via actief optreden met de lange vleugel en voorkomt aldus dat het tempo evenwicht al teveel verbroken wordt. Zwart reageert in diagram 1 vrijwel altijd met 16...17-21 (57 keer). De reden wordt snel duidelijk.

 

Heusdens,R. - Lacroix,P. NLD-chT 1a, 20-02-1988
1.34-29 19-23 2.40-34 14-19 3.45-40 10-14 4.50-45 5-10 5.31-26 20-25 6.37-31 14-20 7.41-37 10-14 8.46-41 4-10 9.32-28 23x32 10.37x28 19-23 11.28x19 13x24 12.41-37 8-13 13.37-32 2-8 14.42-37 14-19 15.48-42 10-14 16.31-27 17-22 17.36-31 11-17 18.27-21 16x36 19.32-27 22x31 20.29-23 X

 

Poot,P. - Berg,van den,W. Nijmegen, 31-07-1988
 16.31-27 17-22 17.36-31 12-17 18.32-28 17-21 19.26x17 18-23 20.29x18 8-12 21.17x8 3x41 =


Wit kan in deze laatste variant ook slaan met 20.27x18. Toch dient hij ook 17.37-31 te overwegen. Er zit immers niets in voor zwart. Na 17.37-31 11-17 18.27-21 16x27 19.32x21 6-11 20.21-16 1-6 21.31-27 (of zelfs 21.38-32) zou hij beste eens goed kunnen staan. Een opmerkelijke afwijking t.o.v. 16...17-21 zien we tenslotte in de partij:

 

Nitsch,P. - Brouwers,T. NLD-ch qf5, 10-05-1986
16.31-27 18-23 17.29x18 13x31 18.36x27 9-13 19.27-21 16x27 20.32x21 24-30 21.35x24 19x30 22.21-16 17-22 23.38-32 14-19 24.43-38 30-35 25.49-43 13-18 26.47-41 3-9 27.37-31 19-23 28.32-28 23x32 29.38x27 9-13 30.42-38 13-19 31.27-21 11-17 32.41-37 8-13 33.37-32 6-11 34.32-27 1-6 35.33-29 20-24 36.29x20 25x14 37.38-33 22-28 38.33x22 17x28 39.43-38 28-32 40.39-33 32x43 41.34-30 35x24 42.44-39 43x34 43.40x9 13x4 44.33-28 X

 

Zwart dreigt met de damzet 17-21 en 24-29 en dwingt daarmee zijn tegenstander naar de rand. Maar omdat zijn stelling ook niet helemaal zonder fouten is, moet hij symmetrisch antwoorden en gaat de strijd verder met aanvankelijk een beter stand voor wit.

 

Borst,van den,J. - Scholma,A. MNP, 20-09-1985
16.31-27 17-21 17.26x17 11x31 18.37x26 16-21 19.26x17 12x21 20.32-28 21-26 21.42-37 6-11 22.38-32 11-16 23.43-38 7-11 24.49-43 16-21 25.28-22 18x27 26.29-23 19x28 27.33x31 14-19 28.34-30 25x34 29.39x30 11-16 30.38-33 1-7 31.43-38 7-12 32.47-42 12-18 33.30-25 18-23 34.25x14 9x20 35.44-39 3-9 36.31-27 24-29 37.33x24 19x30 38.35x24 20x29 39.40-34 29x40 40.45x34 15-20 41.39-33 13-18 42.33-29 20-25 43.29-24 8-12 44.24-20 25x14 45.38-33 14-20 46.34-30 20-25 47.30-24 23-29 48.33-28 29x20 49.28-22 9-13 50.22-17 26-31 X

De eerste witspeler, die met diagram 1 aan het werk toog, was zich er nog niet bewust, dat er niets te halen valt bij een overhaaste bevrijding uit de hekstelling. Zolang schijf 9 verkeerd staat, is de situatie zelden gevaarlijk. Scholma toonde knap aan, dat de klassieke stelling na de ruil 25.28-22 juist wel gevaarlijk is.

 

Bor,K. - Kooloos,A. Hierden A, 04-08-1993
16.31-27 17-21 17.26x17 11x31 18.36x27 6-11? 19.47-41 18-22 20.27x18 13x22 21.34-30 25x23 22.32-28 23x32 23.37x6 20-25 24.33-28 14-20 25.39-33 9-13 26.44-39 12-18 27.40-34 16-21 28.34-29 21-26 29.41-36 19-23 30.28x30 25x23 31.45-40 23-28 32.33x22 18x27 33.40-34 20-25 34.42-37 8-12 35.38-32 27x38 36.43x32 12-18 37.36-31 15-20 38.31-27 3-9 39.39-33 20-24 40.32-28 13-19 41.37-32 18-23 42.28-22 9-13 43.33-28 7-12 44.27-21 26x17 45.22x11 24-30 46.35x24 19x39 47.28x17 25-30 48.11-7 1x21 49.6-1 21-26 50.32-27 X


Wit slaat vrijwel altijd 18.37x26. Slechts enkele voorbeelden bestaan van de slag 18.36x27. Het bezwaar is immers de ruil 18-22x22 en zwart heeft zijn gedeplaceerde schijf 9 opgeruimd. In bovenstaande partij wacht zwart een zet met de ruil en krijgt de drie om drie naar veld 6 voor de kiezen. Geen beste ruil voor wit, maar kennelijk is deze wel de betere dammer. De hark 40...7-11 en 18-22x11 is nog steeds moeiteloos remise.

 

Schippers,T. - Rougoor,H. NLD-chT, 12-09-1987
16.31-27 17-21 17.26x17 11x31 18.36x27 18-22 19.27x18 13x22 20.32-28 9-13 21.28x17 12x21 22.37-32 7-12 23.32-28 21-26 24.42-37 6-11 25.38-32 16-21 26.43-38 11-16 27.37-31 26x37 28.32x41 12-17 29.41-37 8-12 30.38-32 21-27 31.32x21 17x26 32.49-43 3-8 33.47-41 16-21 34.41-36 1-6 35.36-31 6-11 36.43-38 12-18 37.38-32 21-27 38.32x21 26x17 39.35-30 24x35 40.29-24 20x38 41.39-33 38x29 42.34x3 11-16 43.3x26 16-21 44.26x20 15x24 45.28-22 24-29 46.22-17 25-30 47.17-11 29-33 48.11-7 33-38 49.7-1 38-43 50.1-6 43-49 51.6-39 49-16 52.39x25 16-11 53.25-39 11-6 54.37-32 19-23 55.39-43 6x50 X

 

De opening is uitstekend voor zwart verlopen. Maar in de volgende fase groeit de stelling hem boven het hoofd. De schijven 8 en 3 moeten naar de korte vleugel. Voorts moet zwart wat doen aan de finesses naar veld 8. Daartoe ligt 22...8-12! sterk voor de hand. Hij zou darana kunnen kiezen voor de opstelling met 6-11, 12-17 en 3-8-12.


Het aantal vrije stukken van wit nadert het kritieke minimum. Maar tevens nadert het zetje naar veld 3. Zwart zou hier aan de belangrijkste dreiging wat kunnen doen met 35...12-18! Na de terugruil 36.37-32 26x37 37.32x41 kan hij de opsluiting niet meer handhaven, maar de overblijvende stand na 37...8-12 38.28-22 18x27 39.29-23 19x28 40.33x31 24-29 41.34x23 25-30 42.35x24 20x18 is aanmerkelijk beter voor hem.