De kunst in deze Ghestem is het uitlokken van de opmars 1-7-12. Veel zwartspelers doen dit vrijwillig bij de eerste de beste gelegenheid. Soms is enig aandringen noodzakelijk. Eerst een voorbeeld, waarin wit helemaal niet aandringt de opmars achterwege blijft:

 

Knoops,N. - Bokhoven,van,T. NLD-chC, 01-01-1987
1.31-27 17-21 2.36-31 21-26 3.41-36 18-23 4.33-28 12-17 5.27-22 17-21 6.31-27 7-12 7.39-33 12-18 8.44-39 20-24 9.34-30 14-20 10.30-25 10-14 11.40-34 24-29 12.33x24 20x40 13.45x34 15-20 14.39-33 20-24 15.34-30 5-10 16.50-45 10-15 17.43-39 11-17 18.22x11 6x17 19.37-31 26x37 20.42x31 1-6 21.46-41 21-26 22.41-37 17-21 23.27-22 18x27 24.31x22 2-7 25.47-42 7-12 26.49-44 12-18 27.39-34 18x27 28.34-29 23x34 29.30x39 8-12 30.28-23 19x28 31.33x31 12-18 32.39-33 6-11 33.33-28 14-19 34.31-27 18-23 35.27-22 13-18 36.22x13 9x18 37.36-31 11-17 38.31-27 24-29 39.44-39 29-33 40.38x29 23x43 41.48x39 19-23 42.28x19 17-22 43.19-14 22x31 44.14-10 1-1
 

Wit staat in deze positie voor het blok. De opmars 1-7-12 heeft nog niet plaatsgevonden en er is geen geschikt tempo voor handen. In de partij Scholma - Gantwarg probeerde wit 11.50-44 1-7 12.40-34 en zwart kreeg kansen. Direct 11.40-34 heeft als bezwaar, dat de opmars 1-7-12 misschien nooit meer gespeeld wordt. Evert Bronstring stelt 11.47-41 voor. Zwart kan met 4-10 reageren, maar ook 11...11-17 12.22x11 6x17 is het onduidelijk hoe je met wit nog wat over moet houden. De ruil 13.27-22 18x27 14.37-31 levert weinig op. Vroeg of laat moet wit met 40-34 zijn tegenstander de vrijheid gunnen.

 

De voortzetting van Scholma heeft het voordeel, dat na 11...11-17 12.22x11 6x17 13.37-31 21-26 14.47-42 26x37 15.42x31 8-12 17.31-26 nog wat spanningen zijn blijven bestaan. In de diagramstand speelde wit direct 11.40-34 en sloeg op 24-29 naar voren. Naar achteren slaan zou ook mogelijkheden moeten bieden. Tegen Klaas Bor probeerde Evert Bronstring als eerste de opstelling 8.43-39!. Maar een echte oplossing voor de witte problemen lijkt het niet te bieden. Helaas verzuimde zwart het probleem echt aan de orde te stellen met 10...10-14 i.p.v. 10...1-7. Er ontstond een klassieke positie, waarin Evert aan het langste eind trok.

 

Bronstring,E. - Bor,K. NLD-ch sf3, 21-01-1995
1.31-27 17-21 2.36-31 21-26 3.41-36 18-23 4.33-28 12-17 5.27-22 17-21 6.31-27 7-12 7.39-33 12-18 8.43-39 20-24 9.34-30 14-20 10.30-25 1-7 11.25x14 9x20 12.40-34 4-9 13.45-40 10-14 14.49-43 5-10 15.33-29 24x33 16.38x29 7-12 17.42-38 20-24 18.29x20 14x25 19.39-33 9-14 20.44-39 14-20 21.33-29 20-24 22.29x20 15x24 23.50-45 10-15 24.34-30 25x34 25.40x20 15x24 26.39-34 3-9 27.47-42 9-14 28.34-30 11-17 29.22x11 6x17 30.27-22 18x27 31.37-31 26x37 32.42x11 16x7 33.36-31 12-18 34.31-27 21-26 35.43-39 8-12 36.48-42 7-11 37.42-37 11-16 38.45-40 12-17 39.39-33 17-21 40.30-25 2-7 41.28-22 23-29 42.33-28 18-23 43.46-41 7-12 44.41-36 12-17 45.22x11 16x7 46.27x16 13-18 47.36-31 7-12 48.16-11 2-0 (1.52/1.59)
 

Met een verbazingwekkend gemak schuift Evert zulke stellingen naar de winst. Zwart staat slechts drie tempi naar voren. Toch komt hij er nauwelijks meer aan te pas, omdat wit met 36.48-42! een schijf naar 36 dirigeert, waardoor bevrijdende manoeuvres doodslaan.  De enige kans om de afknelling van zijn lange vleugel te voorkomen is rechts de ruil 24-30 of bij gelegenheid de uitstoot 23-29. Wit aan zet doet daar wat aan met het kenmerkende ruiltje 24.34-30 25x34 25.40x20 15x24 26.39-34. Een geheel ander idee in deze opening is het eruit spelen van schijf 47. Tijdens de halve finales van het correspondentiedam kampioenschap van Nederland probeerde Ton van Bokhoven aldus de problemen op te lossen.

 

Bokhoven,van,T. - Rigterink,J. NLD-chC sfa, 01-01-1989
1.33-28 18-23 2.31-27 17-21 3.37-31 21-26 4.41-37 12-17 5.27-22 17-21 6.31-27 7-12 7.38-33 12-18 8.42-38 20-24 9.34-30 14-20 10.30-25 10-14 11.47-42 4-10 12.40-34 24-29 13.33x24 20x40 14.45x34 15-20 15.39-33 20-24 16.34-30 11-17 etc.

 

Nuchterheid is een kenmerkende eigenschap van correspondentiedammers. De zet 11...4-10 dwingt alsnog 40-34 af, want 11.39-34 11-17x7, 18-22 en 24-30 is te erg. Ron Heusdens berust er vanaf het allereerste begin in, dat de ruil 11-17x17 onvermijdelijk is. Daarom probeert hij met de lange vleugel te anticiperen en brengt hij de schijven 46 en 47 in het spel:

 

Heusdens,R. - Nitsch,P. NLD-Cup, 07-05-1994
1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.41-37 18-23 4.33-28 12-17 5.27-22 17-21 6.31-27 20-24 7.38-33 7-12 8.36-31 12-18 9.42-38 14-20 10.46-41 10-14 11.41-36 5-10 12.34-30 20-25 13.40-34 14-20 14.47-42 10-14 15.33-29 24x33 16.38x29 20-24 17.29x20 15x24 18.43-38 4-10 19.39-33 14-20 20.34-29 25x34 21.29x40 10-15 22.40-34 20-25 23.44-39 9-14 24.45-40 14-20 25.50-45 1-7 26.49-43 7-12 27.34-30 25x34 28.39x30 20-25 29.40-34 15-20 30.34-29 23x34 31.30x39 12-17 32.39-34 19-23 33.28x30 17x39 34.27-22 18x27 35.31x22 8-12 36.32-28 12-18 37.45-40 18x27 38.37-31 26x37 39.42x22 11-17 40.22x11 6x17 41.38-33 13-19 42.33x44 20-24 43.43-38 21-27 44.28-23 19x28 45.30x19 X.

 

Het lijkt alsof het niet goed gegaan is voor wit. Dat dit inderdaad zo is blijkt pas bij gedegen bestudering van de stand. Het partijverloop valt tegen. Maar 30.34-29 25x34 31.29x40 20-25 32.40-34 is ook lastig. Er dreigt immers 33-29x29. De afwikkeling 11-17x7, 18-22 en 24-30 is niet helemaal duidelijk, omdat schijf 28 valt. Het is natuurlijk een schijf dat wit liever niet heeft. Ook de afwikkeling 32...24-29 is niet helemaal duidelijk. De beste kans is wellicht 32...24-30 33.35x24 19x39 34.33x44 23-29.

 

Het overhaaste 36...12-18? is de oorzaak van de zwarte misère. Na 36...2-8 staat wit met de rug tegen de muur. Op 37.45-40 beslist 37...12-17 en wit heeft geen tempo. Na 37.38-32 3-9 38.28-23? 21-27 heeft zwart een dam, terwijl op andere zetten 12-18 een schijf wint.