De zet 35-30 wordt ook wel later in deze opsluitingvariant gespeeld. De bedoeling is tempodwang te gebruiken om beide opsluitingen tegelijkertijd te verbreken met een enorme centrumaanval als resultaat. Een voorbeeld is
Rijkaart,C. - Goedhart,A. NLD-ch sf2, 14-01-1978
1.31-27 17-21 2.36-31 21-26 3.41-36 18-23 4.33-28 12-17 5.39-33 17-21 6.44-39
7-12 7.49-44 1-7 8.35-30 20-25 9.40-35 15-20 10.45-40 20-24 11.33-29 24x22
12.27x29 12-18 13.47-41 21-27 14.32x21 26x17 15.39-33 7-12 16.44-39 10-15
17.50-45 17-21 18.37-32 21-26 19.32-28 26x37 20.41x32 18-22 21.28x17 11x22
22.46-41 13-18 23.36-31 en wit tenslotte in de aanval.
De opbouw met 7.49-44 en 10.45-40 is belangrijk. Daardoor is wit een zet eerder
met de twee om twee 33-29x29. Aardiger is het verloop van de partij Scholma -
van der Wal, waarin wit superscherp verdergaat en de dubbelopsluiting omzet in
een winnend 'naamloos skelet'.
Scholma,A. -
Wal,van der,J. NLD-ch, 26-03-1991
1.31-27 17-21 2.36-31 21-26 3.41-36 18-23 4.33-28 12-17 5.39-33 17-21 6.44-39
7-12 7.50-44 1-7 8.35-30 20-25 9.40-35 15-20 10.44-40 20-24 11.49-44 11-17
12.47-41 6-11 13.33-29 24x22 14.27x29 12-18 15.32-28 7-12 16.39-33 10-15
17.44-39 5-10 18.38-32 14-20 19.42-38 20-24 20.29x20 25x14 21.31-27 19-23
22.28x19 14x23 23.30-25 10-14 24.36-31 14-19 25.33-28 15-20 26.25x14 19x10
27.28x19 13x24 28.38-33 17-22 29.34-30 11-17 30.30x19 9-14 31.40-34 14x23
32.34-29 23x34 33.39x30 8-13 34.43-39 13-19 35.30-24 19x30 36.35x24 10-14
37.39-34 3-8 38.45-40 14-19 39.24x13 8x19 40.33-29 2-8 41.40-35 19-23 42.29-24
22-28 43.24-20 28-33 44.20-14 2-0 (1.57/2.00)
Zwartspelers hebben allerlei plannen verzonnen om de verbreking van de
opsluitingen te voorkomen. Twee voorbeelden bestaan, waarin wit blijft zitten
met een levensgevaarlijke korte vleugel opsluiting.
Knoops,N. -
Ivens,F. Schiedam - RDG, 12-08-1977
1.31-27 17-21 2.36-31 21-26 3.41-36 18-23 4.33-28 12-17 5.39-33 17-21 6.44-39
7-12 7.50-44 1-7 8.35-30 20-25 9.40-35 14-20 10.44-40 20-24 11.49-44 12-18
12.27-22 18x27 13.31x22 13-18 14.22x13 9x18 15.36-31 15-20 16.31-27 26-31
17.37x17 11x31 18.28-22 18x27 19.32x21 16x27 20.33-29 24x33 21.38x18 10-14
22.18-13 19-23 23.30-24 8x30 24.35x15 23-28 25.46-41 31-36 26.42-37 27-32
27.34-30 25x34 28.39x30 7-12 29.48-42 12-18 30.42-38 18-23 31.38x27 14-19
32.27-21 6-11 33.43-38 3-8 34.21-16 11-17 35.30-25 5-10 36.44-39 10-14 37.40-34
8-13 38.34-30 2-7 39.30-24 19x30 40.25x34 13-19 41.45-40 19-24 42.40-35 14-19
43.38-32 7-12 44.34-30 12-18 45.30-25 24-29 46.39-34 29x40 47.35x44 28-33
48.32-27 33-38 49.27-21 17x26 50.16-11 38-43 1-1
Helemaal
sluitend is de opening niet, maar veel witspelers laten de afwikkeling 15.34-29
achterwege. De klassieke stand na 15.34-29 23x34 16.40x20 25x34 17.39x30 15x24
zier er goed uit voor zwart. Truus komt nog met het alternatief 15.34-29 25x34
16.29x20 15x24 17.40x20 21-27 18.32x21 23x41 19.46x37 26x17. Bij zo'n overvloed
aan goede mogelijkheden is het moeilijk kiezen. In de partij wordt de poging om
direct zaken te doen met 16...26-31 zo'n beetje weerlegt. De zwakke voorpost op
18 wordt waarschijnlijk in voldoende mate gecompenseerd door de zwakte van de
schijven 27 en 31 plus combinatieve mogelijkheden.
Op 21...8-12 kan 22.30-24. Na 21...20-24 22.18-13 3-9 23.46-41 9x18 24.41-37 31-36? 25.37-32 27x49 26.47-41 36x38 27.39-33 38x29 28.34x3 25x34 29.40x20 49x40 30.45x34 wint wit vrijwel op slag. De zet 26...27-32? is fout. Na 26...6-11 staat zwart beter. Daarom moet het te scherpe 25.46-41 en 26.42-37 afgekeurd worden. Gewoon 25.43-38 of 26.43-38 leidt tot blijvend voordeel voor wit.
Stap,van der,P.
- Luteijn,F. trn, 17-07-1978
1.31-27 17-21 2.36-31 21-26 3.41-36 18-23 4.33-28 12-17 5.39-33 17-21 6.44-39
7-12 7.50-44 1-7 8.35-30 20-25 9.40-35 14-20 10.44-40 20-24 11.49-44 12-18
12.27-22 18x27 13.31x22 13-18 14.22x13 9x18 15.36-31 15-20 16.46-41 8-13
17.31-27 11-17 18.41-36 7-12 19.37-31 26x37 20.42x31 21-26 21.47-42 26x37
22.42x31 17-21 23.31-26 2-8 24.26x17 12x21 25.28-22 10-14 26.33-28 5-10 27.39-33
6-11 28.34-29 25x34 29.43-39 34x43 30.38x49 23x34 31.40x29 8-12 32.44-39 10-15
33.39-34 4-9 34.34-30 20-25 35.29x20 25x34 36.36-31 15x24 37.31-26 11-17
38.22x11 16x7 39.26x8 3x12 40.48-42 12-17 41.49-43 24-29 42.33x24 19x30 43.35x24
18-22 44.27x18 13x33 45.32-27 0-2
In plaats van de twee om twee naar veld 31 overwoog ik tegen Peter van der Stap de variant 15.36-31 15-20 16.31-27 8-13 17.28-22 7-12 18.33-28 10-14 19.39-33 23-29? 20.34x23 25x34 21.40x29 11-17 22.22x11 16x7 23.27x16 18-22 24.28x8 19x50 25.8x30 50-17 26.38-33 17x25 27.42-38 en wit blijft een stuk voor. Peter besluit de twee om twee helemaal niet toe te laten en staat na de trage zet 16.46-41 op het randje van de afgrond. Zwart heeft alle gaten in zijn stand weten te stoppen. De enige serieuze overlevingskans is de barre aftocht 19.37-31 26x37 20.32x41 21x32 21.28x37 2-8. Op het ruiltje naar 28 handhaaft zwart de opsluiting met 17-22x21. Op 22.33-29 24x33 23.38x29 kan zwart zowel 10-15 als 20-24 overwegen met kansen.