De bovenstaande stelling heeft zich slechts driemaal voorgedaan. De oorzaak is de wat ongebruikelijke witte opbouw met 6.38-32. Meestal wordt daar 37-32 of 31-26 gespeeld. Dan heeft zwart geen gelegenheid tot 6...14-20. De opstelling met 3...21-26 begint een beetje zijn populariteit kwijt te raken. Wit heeft daarna immers teveel mogelijkheden om de aanval gaande te houden zonder kansen te hoeven weggeven. Een probleem in de onderhavige partij is, dat de geplande opstoot 28-23x23 er niet van komt door de formatie achter schijf 21. De ruil 9.29-24 is niet echt slecht. Maar ik heb hem niet op repertoire staan.
Luteijn,F. - Koeperman,I. Paris, 02-04-1984
1.32-28 17-21 2.33-29 20-25 3.39-33 11-17 4.44-39 7-11 5.50-44 1-7 6.38-32 14-20
7.42-38 10-14 8.47-42 5-10 9.29-24 20x29 10.33x24 19x30 11.35x24 18-22 12.34-29
22x33 13.39x28 21-26 14.43-39 13-18 15.28-23 9-13 16.32-28 14-20 17.37-32 26x37
18.42x31 10-14 19.49-43 16-21 20.31-26 21-27 21.32x21 11-16 22.40-34 16x27
23.45-40 18-22 24.48-42 22x33 25.39x28 7-11 26.43-39 13-18 27.38-33 4-9 28.41-37
9-13 29.40-35 18-22 30.42-38 13-19 31.24x13 8x19 32.37-32 11-16 33.32x21 16x27
34.46-41 19-24 35.41-37 2-7 36.37-32 7-11 37.32x21 11-16 38.44-40 16x27 39.35-30
24x44 40.39x50 14-19 41.23x14 20x9 42.29-24 9-14 43.34-29 14-20 44.50-44 3-8
45.44-40 12-18 46.28-23 8-12 47.40-34 6-11 48.24-19 11-16 49.38-32 27x38
50.33x42 22-27 51.42-38 16-21 52.34-30 25x34 53.29x40 18x29 54.19-13 =
In plaats van het uitspelen van de tempi kan wit ook naar veld 26. Maar het is dan lastiger om de zwarte aanval onder controle te houden. Bijvoorbeeld 5.31-26 18-22 6.37-32 21-27 7.32x21 16x27 8.41-37 13-18 9.37-31 1-7 en tot nog toe heeft geen enkele witspeler in deze en soortgelijke standen iets beters weten te verzinnen dan de ruil 38-32x32 gevolgd door 19-23x23, 31-27x37, 15-20-24x14 etc.
Na afloop heeft zwart de schijven 15 en 16 opgelost en is het niet eenvoudig voor wit om tot een gezonde aanval te komen. Tegen een grootmeester is het veel veiliger om een scherpe opstelling in te nemen. De zet 6.38-32 werd bewust gespeeld. Na 6.37-32 21-26 7.41-37 17-21 8.47-41 heeft zwart geen mogelijkheden om de spanningen te handhaven. Na bijvoorbeeld 8...14-20 9.29-23 18x29 10.34x14 10x19 11.35-30x29 kampt ook wit met bepaalde zwaktes.
Agafonow,V.
- Luteijn,F. WchC, 01-01-1983
1.33-29 16-21 2.38-33 11-16 3.43-38 6-11 4.49-43 21-26 5.32-28 17-21 6.38-32
20-25 7.42-38 14-20 8.29-23 18x29 9.34x14 10x19 10.35-30 25x34 11.40x29 5-10
12.45-40 10-14 13.40-34 19-24 14.47-42 14-19 15.44-40 20-25 16.29x20 25x14
17.50-44 12-18 18.34-29 19-24 19.29x20 15x24 20.31-27 4-10? 21.27-22! 18x27
22.37-31x22
Een verschil is de aanwezigheid van schijf 1. Met deze schijf speelt het wat lekkerder voor zwart. Echter we speelden indertijd per brief. Elke twee maanden een zet. Tegen de tijd dat er antwoord kwam, was ik de essentie van de stand al weer vergeten. Vandaar de suffe zet 20...4-10? Aangewezen is 20...7-12! en wit houdt blijvende problemen aan de lange vleugel.
In plaats van 8...5-10 en verlies van een belangrijk steunpunt kan zwart overwegen 8...21-26 of 8...4-10 te spelen. De stand na 8...21-26 is slechts 12 keer voorgekomen. De zeldzaamste variant 8...21-26 9.28-23 19x28 10.32x23 16-21 is best aantrekkelijk voor zwart. Ook 9.29-24 is geen groot bezwaar. Wellicht maakte hij zich zorgen over 9.31-27. Dat is vijf keer gespeeld. Meestal volgde 17-22x31 gevolgd door de inname van een hekstelling. Deze ziet er voor zwart niet echt aantrekkelijk uit.
De zet 8...4-10 komt best in aanmerking. Maar na 9.31-26 18-22 ontstaat een bekende stelling uit de 32-28 16-21 opening. De zet 10.29-23 is principieel en interessant. Echter de ruil 32-27x27 is algemeen. Na 8...5-10 9.31-26 18-22 is in tegenstelling tot de bekende stand, waarin schijf 46 op 47 staat, de uitval 10.28-23x23 best gevaarlijk voor wit.
De openingsbehandeling van Koeperman drijft mij tot een aantal energieke
aanvalszetten, waar ik normaliter niet snel toe zou besluiten. De behandeling
van dit middenspel toont een niet gedachte vaardigheid in omsingelen van de
zesvoudig wereldkampioen. Zoiets zag ik hem niet eerder doen.
Het
probleem voor zowel wit als zwart is de ontwikkeling van de strijd rond de lange
vleugel en korte vleugel die tegenover elkaar staan. Wit kan de boel niet
eenvoudig ontwikkelen. Zwart daarentegen kampt met tempodwang. Als hij schijf 7
naar 21 brengt is hij verder uitgespeeld. Tegen Geert van Aalten ondervond ik
eens hoe vervelend het is als wit gewoon verder gaat met het ruiltje 34-30x30 en
de tegenstander aan de andere vleugel in zijn sop gaar laat koken.
Aalten,van,G. - Luteijn,F. NLD-chT,
25-09-1982
1.32-28 17-21 2.33-29 20-25 3.39-33 21-26 4.44-39 16-21 5.50-44 11-16 6.38-32
14-20 7.42-38 10-14 8.47-42 6-11 9.29-24 20x29 10.33x24 19x30 11.35x24 11-17
12.34-30 25x34 13.39x30 18-22 14.43-39 22x33 15.39x28 12-18 16.44-39 18-22
17.39-33 14-20 18.49-43 20x29 19.33x24 22x33 20.38x29 5-10 21.32-27 21x32
22.37x28 26x37 23.41x32 10-14 24.43-38 13-18 25.46-41 18-22 26.38-33 14-20
27.30-25 16-21 28.25x14 9x20 29.42-38 7-12 30.41-37 1-7 31.40-34 7-11 32.37-31
11-16 33.31-26 21-27 34.32x21 16x27 35.34-30 4-9 36.30-25 9-14 37.45-40 8-13 en
later remise.
De zet van Koeperman 11...18-22 is een juweeltje van tactisch vernuft. Wit mag niet sluiten in verband met simpele zetjes. Het ontmoedigt het plan met het ruiltje 34-30x30. Het is vrijwel onmogelijk voor wit om een overzichtelijke zet te spelen. Geen goed idee is het tempo 12.31-26. Na het komende ruiltje 21-27x27 staat wit van alle kanten onder schot. De keus ging daarom tussen 31-27 en 34-29. Het openhouden van de keuzes aan de lange vleugel met de partijvoortzetting 34-29x28 kreeg de voorkeur.
Het
moge duidelijk zijn, dat de zet 15.28-23 er eigenlijk niet bij hoort. Koeperman
wilde er na de partij niet al te diep op ingaan en zij dat hij aangewezen was.
Liever wilde hij de toeschouwers zoveel mogelijk fraaie zetjes verderop in de
partij laten zien. Het op zijn plaats laten van schijf 28 is scherper en
waarschijnlijk beter. Maar wel moet wit goed opletten niet het slachtoffer te
worden van een permanente opsluiting van zijn lange vleugel via 18-22. Tijdig
31-27 of 28-23 spelen is het devies voor een witspeler, die zijn fraaie
aanvalsstand te gelde wil maken.
Koeperman was vermoedelijk terecht van mening, dat de oorzaak van veel latere problemen van de witspeler zijn terug te voeren op de overhaaste ontwikkelingszet 17.37-32. Beter is een plan als 17.40-34 10-14 18.38-33 17-22 19.28x17 11x22 20.31-27 22x31 21.36x27 14-19 22.23x14 20x9 23.33-28 en alle gaten zijn weer dicht.
De zet 19.49-43 was de vrucht van langdurig peinzen. Normaliter wacht ik met zulke knoeizetten tot er niets anders meer voorhanden is. De voortzetting 19.38-33 faalt op 19....25-30; 20-24 en na het slaan sneuvelt schijf 22. De poging 19.39-33 17-22 20.28x17 11x22 21.31-27 22x31 22.36x27 14-19 23.23x14 20x9 gaat nog wel voor wit. Er dreigt immers niets. Een compleet tempo weggeven met 19.31-27, kost na 19...4-9 20.39-33 17-22 21.28x17 11x31 22.36x27 14-19 23.23x14 18-23 24.29x18 13x31 25.41-36 misschien nog wel echt een schijf.
Na 19.40-34 17-22 20.28x17 11x22 21.31-27
22x31 22.36x27 14-19 23.23x14 20x9 24.41-36 12-17 komt wit zwaar onder druk te
staan. Mijn conclusie tijdens de partij was, dat veld 43 dringend dicht moest.
Aangezien schijf 48 soms naar 42 moet, kon dat dus niet goed met de kroonschijf.
Onder andere speelt dat in de variant 19.49-43 4-9 20.48-42 17-22 21.28x17 11x22
22.32-28 22x33 23.39x28.
Na 19.49-43 17-22 20.28x17 11x22 21.31-27 22x31 22.36x27 14-19 23.23x14 20x9 kan 24.32-28 en de afwikkeling 18-23 geeft weinig problemen. Andere zetten heeft wit nauwelijks, omdat anders 12-17 en 7-11 volgt dood en verderf tegen de lange vleugel. In diagram 9 geeft 20.31-26 zwart enorme veel druk tegen het witte centrum. Echt goede alternatieven zijn er nauwelijks. Op 20.39-33 21-26 21.32-27 26x37 22.41x32 volgt het dammetje 17-21, 18-22 en 13-19 X. Na 20.39-33 21-26 21.41-37 17-22 22.28x17 11x22 23.44-39 13-19 24.24x13 8x28 25.32x23 valt het wel weer mee.