DEN HAAG - Het komt wel vaker voor, dat spelers gespecialiseerd in een systeem moeite hebben juist met dat systeem. Op het ogenblik ben ik bijzonder dankbaar voor elk punt, dat de damgoden mij toestaan in het Kellersysteem. In het Europees kampioenschap moest ik tot tweemaal toe met de staart tussen de benen uit de omsingeling van een lange vleugel opsluiting ontsnappen. Zowel Jan Koerselman als Ton Bollebakker wisten met voordeel uit de opening en het middenspel te komen.

 

Bollebakker,A. - Luteijn,F. EU-chC, 01-01-1982
10.29-23 20x29 11.23x34 21-26 12.31-27 10-14 13.44-39 5-10 14.50-44 14-20 15.39-33 10-14 16.43-39 20-24 17.34-29 14-19 18.29x20 25x14 19.40-34 18-23 20.36-31 11-17 21.41-36 17-21 22.34-30 14-20 23.39-34 20-25 24.44-40 15-20 25.40-35 4-10 26.28-22 12-18 27.33-28 20-24 28.38-33 9-14 29.42-38 7-12 30.34-29 23x34 31.30x39 10-15 32.49-44 14-20 33.44-40 3-9 34.47-42 9-14 35.22-17 24-30 36.35x24 20x29 37.33x24 19x30 38.38-33 14-19 39.42-38 30-35 40.27-22 35x44 41.39x50 18x27 42.31x22 15-20 43.37-31 26x37 44.17x26 19-23 45.32x41 23x43 46.48x39 12-18 47.26-21 16x27 48.22x31 18-23 1-1

 

Ton stelt zich in de Davidov opening (genoemd naar de beroemde partij Gantwarg - Davidov) aanvankelijk zo stug mogelijk op. Maar na 17.34-29 14-19 18.29x20 25x14 kan zwart een hoop 'ijs' van de lange vleugel opruimen met de terugruil 14-19x14. Ronald Roethof ging in de partij tegen mij nog een stapje verder met de zettenreeks 17.49-43 4-10 18.40-35 11-17 19.27-21 16x27 20.32x21 14-20 21.34-29 18-23 22.28x30 25x23 =.

 

Ik ben achteraf gezien niet gelukkig met de behandeling van de zwarte stand tegen Roethof. Na 18...11-17; 20...14-20 en 21...18-23 heeft wit het te gemakkelijk. Wit heeft met 18.40-35? een aanknopingspunt gegeven. Je kunt het dan klassiek verder spelen met 18...14-19 19.34-30 25x34 20.39x30 18-23. Ook is 18...14-20 een idee als begin van een actie om de witte korte vleugel verder uit te putten.

 

Later in de partij tegen Ton Bollebakker begon ik het helemaal te zien zitten. Ik gunde mij echter geen tijd om de witte verdedigingsmogelijkheden te bestuderen. Beide zetten 26.28-22 als 35.22-17 kwamen als een totale verrassing. Het eruit halen van de laatste zet is in diagram 4 niet moeilijk. Maar ik zat te suffen... 

 

Na 34...9-14? 35.22-17! is de witte verdediging gebaseerd op 35...18-23 36.17-11 6x17 37.27-22 en het dammetje 35...24-30 36.35x24 20x29 37.33x24 19x30 38.38-33 14-19 39.42-38 30-35 40.27-22 18x27 41.31x22 35x44 42.39x50 (d5) 12-18 43.28-23 17-11x3 X.

 

In de partij wikkelt wit na 42...15-20 direct af naar remise. Een aardig idee is 43.45-40 20-24 44.37-31 26x37 45.17x26 19-23 46.28x30 37x39 47.40-34. Ook is gewoon verder spelen met 43.45-40 20-24 44.40-34! goed mogelijk.

 

De moeilijkheid in de partijen, waarin wit zich met 12.31-27 stug opstelt, is hoe het spel gaande te houden zonder onder de voet gelopen te worden. Wit kan desgewenst expansie zoeken over veld 21 of 23 zonder in gevaar te komen of het initiatief kwijt te raken. Voorts moet zwart voortdurend bedacht zijn op de opbouw 36-31 en 41-36 op momenten, dat de oversteek naar veld 21 niet mogelijk is.

 

Ieder voor zich moet zich in deze opening afvragen, wat hij nu wel en niet wil toelaten. Ook als de oversteek 11-17 is toegelaten dient aandacht besteed te worden aan de mogelijkheid 28-23xx23. Deze uitval kan een beetje ontmoedigd worden door met 17-22x21 de centrumschijf een keertje mee te nemen. Voor de rest van het systeem blijkt het vaak weinig uit te maken. Het duurt alleen wat langer voor het interessant wordt. Zelf zou ik de uitval naar 23 of de ontsnapping naar 21 niet snel nemen, omdat het ook wit kansrijk spel ontneemt. De partij Koerselman - Luteijn is een voorbeeld, waaruit blijkt dat ook wit uitstekende kansen heeft bij scherp spel.
 

Koerselman,J. - Luteijn,F. EU-chC, 01-01-1982
10.29-23 20x29 11.23x34 21-26 12.38-33 11-17 13.42-38 10-14 14.47-42 5-10 15.44-39 17-21 16.31-27 13-19 17.50-44 14-20 18.36-31 8-13 19.41-36 18-23 20.33-29 2-8 21.29x18 13x33 22.39x28 8-13 23.38-33 10-14 24.42-38 20-24 25.43-39 24-30 26.40-35 14-20 27.35x24 20x40 28.45x34 19-24 29.44-40 9-14 30.40-35 14-20 31.34-29 4-10 32.48-43 13-19 33.29-23 10-14 34.39-34 3-8 35.34-29 8-13 36.43-39 7-11 37.39-34 24-30 38.35x24 19x39 39.33x44 25-30 40.38-33 13-19 41.44-39 19-24 42.49-44 30-35 43.39-34 12-17 44.34-30 35-40 45.30x10 40x49 1-1

 

In diagram 1 hebben we de belangrijkste uitgangspositie voor de Davidov opening. Hier vandaan is van alles mogelijk. Een serieuze optie is de ruil 15...17-22. In deze partij heb ik daar niet voor gekozen. Met 13-19 kan zwart later de uitval 28-23 blokkeren. In sommige varianten kan hij met de ruil 18-23x24 zinvol de schijf op 18 oplossen. Het schema uit de partij is afkomstig van Frans Hermelink. Deze nam de ruil 17-22x21 mee. Maar voor het schema doet het er niet toe:

 

Clerc,R. - Hermelink,F. NLD-ch, 06-04-1977
10.29-23 20x29 11.23x34 10-14 12.38-33 21-26 13.42-38 11-17 14.47-42 17-22 15.28x17 12x21 16.31-27 5-10 17.44-39 13-19 18.36-31 15-20 19.41-36 18-23 20.50-44 8-12 21.33-28 3-8 22.39-33 8-13 23.44-39 10-15 24.40-35 4-10 25.49-44 2-8 26.33-29 6-11 27.29x18 13x33 28.39x28 19-23 29.28x19 14x23 30.44-39 9-14 31.38-33 23-29 32.33x24 20x40 33.45x34 12-18 34.43-38 18-23 35.38-33 7-12 36.33-28 11-17 37.28x19 14x23 38.39-33 8-13 39.33-28 23-29 40.34x23 10-14 41.42-38 12-18 42.23x12 17x8 43.28-22 8-12 44.38-33 12-18 45.33-29 25-30 46.35x24 14-19 47.48-43 19x30 48.43-39 15-20 49.39-33 30-35 50.33-28 35-40 51.28-23 40-44 52.23x12 44-50 53.22-18 13x22 54.27x18 21-27 55.31x22 50x8 56.29-23 =
 

Zwart heeft bij dit schema het probleem, dat hij op het cruciale moment behalve de vreselijke zet 26...6-11 geen behoorlijk tempo heeft. Schijf 6 moet in dit soort omsingeling op zijn plaats blijven. Dat is nodig voor het eindspel.  Zwart moet het in dit soort omsingeling vooral hebben van een goed eindspel met stukken, die veilig staan. Elke afwikkeling naar een materieel ongeveer gelijkstaand eindspel is daardoor in het voordeel van zwart. In deze partij lost zwart dit pijnlijke eindspel probleem op door het stuk op 11 tijdig weg te geven. Maar een stuk is een stuk...
 

In de partij Koerselman - Luteijn taalt wit niet naar het uitspelen van de zetten. In diagram 7 moet hij daartoe verder gaan met 20.40-35 10-14 21.44-40 4-10 22.49-44 2-8 23.33-29. Belangrijk in dit soort stellingen is de schijf op 35. Zonder deze schijf is het openen van de stelling een drama voor zwart. Met deze schijf is het een systeem. In de partij overwoog ik nadrukkelijk de zet 23...20-24 in plaats van het onwenselijke 23...6-11. Het openen van de stelling met 24.29x20 15x24 25.34-29 24x22 26.27x29 is niet echt erg dank zij de aanknopingspunten 29 en 35.

 

Truus wordt er enigszins door overvallen. Zij opteert voor 24.29x20 15x24 25.34-30 25x34 26.40x20 14x25 27.39-34 10-14 28.44-40 14-20 29.38-33 12-18 30.42-38 7-12 31.43-39 20-24 32.48-43 24-30 33.35x24 19x30 34.28x19 13x24 35.40-35 24-29 36.35x24 29x20 37.34-29 20-24 38.29x20 25x14 39.39-34 (diagram 8)

 

Dit is het soort stellingen, die je kunt verwachten. Het is geen onverdeeld succes geweest voor zwart. Schijf 18 geeft 'grip' aan de witte opsluiting. Het ontbreken van controle (==schijf op veld 15) op de zwarte lange vleugel geeft wit de overhand. Na 39...18-23 komt Truus met 40.33-29! Naast de zeer slechte afwikkeling 23-28 is het enige tegenspel het schijfoffer 40...6-11 41.29x7 11x2. Dat is geen vetpot. Wit kan teruggeven met 27-22. Voorts heeft deze voorlopig de overhand in het centrum. 

 

Ook in de partij heeft zwart veel problemen te overwinnen. In diagram 9 heeft hij niet het goede tempo om beslissingen van de witspeler af te wachten. De witte lange vleugel opsluiting is door het uitkomen van schijf 42 behoorlijk efficiënt opgesteld. Het uitwisselen van de schijven van de zwarte lange vleugel tegen de witte korte vleugel is niet per definitie in het voordeel van de zwartspeler.

 

Een factor van betekenis is het uitstapje 27-22 geruggensteund door een finesse. In de partij wilde ik het niet toelaten. Achteraf gezien is dat onzin. De witte opstelling met de opsluiting is veel beter, dan die met een Ghestem doorstoot na de bevrijding. Aan alle kanten kan zwart de stelling dan opblazen. Zoals Gantwarg zou zeggen: Zwart heeft met de opsluiting 'ijs' op de korte vleugel. Na de Ghestem doorstoot doet al het materiaal weer mee.

 

Na bijvoorbeeld 25...14-20 26.34-29 9-14 27.40-35 24-30 28.35x24 19x30 komt 29.27-22 in aanmerking. Echter wit hoeft natuurlijk nog geen 27.40-35 te spelen. Als hij wacht, dan wordt de zwarte stelling bij het uitspelen van de tempi verder beschadigd. Na 25...14-20 26.34-29 9-14 27.49-43 4-9 28.48-42 7-11 29.40-35 24-30 30.35x24 19x30 31.27-22 heeft zwart behoorlijk moeten bloeden.

 

Echter in diagram 10 kan wit via 29.40-34 24-30 30.45-40 30-35 31.29-23 aansturen op een ander tempoprobleem. Meestal is zwart best blij met de bezetting van veld 23. Maar dan moet hij wel voldoende bewegingsvrijheid hebben. Hier lijkt dat op het eerste gezicht niet het geval.

 

Na 31...20-24 32.34-29 24-30 33.40-34 dreigt de bevrijding 23-18x18. Truus geeft evenwel het schijnoffer 33...12-18 34.23x12 14-20 aan. Op 31...20-24 32.34-29 13-18 33.29x20 15x24 34.39-34 18x29 35.34x23 24-30 of 9-13 gaat het nog wel. Erger is 31...20-24 32.34-29 25-30 33.29x20 14x25 34.23x14 9x20 35.40-34 35-40 36.44x24 20x40 37.39-34 3-9 38.38-33 9-14 39.33-29 12-18 40.42-38 14-19 X. Wit kan weliswaar het beter doen met de beginzet 29.39-34 in plaats van 29.40-34. Maar het plan om naar 23 te gaan, blijft verdacht.

 

Bovenstaand onderzoek was de aanleiding in diagram 9 om snel 25...24-30 te spelen. Dat vloekt met het idee om zoveel mogelijk materiaal op het bord te houden aan de lange vleugel. Na het verwachte en gevreesde 26.40-35 is 26...14-20 het zuinigst. Op 26...4-10 27.35x24 19x30 28.44-40 14-19 29.40-35 10-14 30.35x24 19x30 31.45-40 14-20 32.33-29 is er meer materiaal van het bord, wat in het voordeel lijkt van de witspeler.

 

Wit is er in een vroeg stadium van de partij in geslaagd om de schijven van de linie 47/15 naar het centrum te spelen. Een belangrijke finesse van zwart in dit soort standen is damgeven naar 3 en slaan naar 35. Wanneer schijf 49 op 47 zou staan, dan is de afwikkeling 25-30, 14-20, 24-29, 3-9 en 7-11x35 een dreiging. Nu is het zelfmoord. Wit kan deze wending dus negeren. In de partij speelde hij 30.40-35. Ik was er erg blij mee, want het gaf het zwarte 'ijs' aan de lange vleugel opeens weer 'grip'.

 

De afwikkeling naar 42 dorst ik niet te nemen, vanwege 35-30 met vangstelling. Het zetje verhindert evenwel de beste zet van wit: 30.49-44. Beter dan de partijvoortzetting lijkt 30.48-43. Dat vermijdt de verzwakking 30.40-35 en dreigt op de volgende zet wel met 40-35. Zwart kan verder gaan met (30.48-43) 14-20. Op 31.34-29 24-30 32.40-35 20-24x24 staat hij goed. Op 31.49-44 25-30, 24-29, 3-9, 7-11x42x28 staat zwart eveneens iets beter.

 

De gekke zet 30.40-35 is dus zo gek nog niet. In de partij heb ik totaal niet gekeken naar mogelijkheden om het zetje erin te blijven houden met 30.40-35 3-9. Na zowel 31.49-43 als 31.48-43 is het zetje kansrijk. Op 31.34-29 12-18 32.29x20 15x24 33.27-22 18x27 34.31x22 14-19 35.37-31 26x37 36.32x41 13-18 37.22x13 9x18 heeft zwart de lang gezocht overgang naar een gunstige klassieke stand. 

 

Diagram 13 beoordeelde ik bij de voorbeschouwing als gunstig, maar begon nu onraad te ruiken. Er dreigt 34-30. Na 32...3-8 33.35-30 25x23 34.28x30 20-24 35.30x19 13x24 36.39-34 heeft wit de overhand aan de korte vleugel. Het beste is waarschijnlijk het toelaten van de drie om drie 32...10-14 33.35-30 25x23 34.28x17 12x21. Maar ik was nog niet zover. Na het gespeelde 32...13-19 was het grootste vraagstuk of zwart de oversteek 3-8-13 zou kunnen realiseren zonder lastig gevallen te worden door de finesse 27-22 met bevrijding. Ook heb ik gekeken naar de mogelijkheid 33.49-44 25-30 34.44-40! Geen ogenblik heb ik aandacht besteed aan de verrassende voortzetting 33.29-23.

 

De voortzetting 37.39-34 is de enige. Na 37.49-43 25-30X of 37.49-44 24-30 38.35x24 19x30 39.28-22 12-18 40.23x12 11-17 41.22x11 6x8 begint de zwarte stelling weer wat te worden. Ook het zwarte antwoord is gedwongen, omdat de uitval 23-18 nu eenmaal niet toegelaten kan worden. De simpele zet (37.39-34 24-30 38.35x24 19x39 39.33x44 25-30) 49.38-33! met de dreiging 23-18 en 33-29x8 slaat de bodem uit het zwarte tegenspel.

 

In deze stand kwam ik met 41...19-24. Deze zet werkt niet. Waarschijnlijk had de verdediging moeten komen van 41...11-17 42.27-22 21-27 43.22x11 27x38 44.33x42 6x17. Maar erg degelijk is het allemaal niet door de volstrekt krachteloze zwarte lange vleugel.

 

De bedoeling van 41...19-24 was om te winnen met 42.49-44 11-17 en 12-18x8. Helaas ontdekte ik wat laat de damdoorbraak 43.28-22 17x19 44.33-28 24x22 45.27x7 X. De schijven van de zwarte lange vleugel kunnen zelfs geen schim van een vangstelling meer produceren. In de partij heb ik daarom 41...19-24 42.49-44 30-35 gespeeld met de hoop dat wit de winnende voortzetting 43.28-22 zou overzien. Na 43...12-17 44.22-18 17-22 45.39-34 22x13 46.23-19 is het uit. Na het voor de hand liggende 43.39-34 was de zwarte remise gebaseerd op de varianten:

 

43...12-17 44.27-22 20-25, 21-27 en 11-17x49

43...12-17 44.44-39 25-30 45.34x25 35-40

43...12-17 44.34-30 35-40