Het stellingbeeld met een lange vleugel opsluiting in een open stelling kan in meer openingen voorkomen. Er is nog relatief weinig van bekend. Tijdens de wedstrijden om de West Europa Cup kreeg ik een interessant exemplaar op het bord tegen Anton Schotanus.
Schotanus,A. - Luteijn,F. WEU-chC, 01-05-1984
1.32-28 17-21 2.37-32 21-26 3.41-37 11-17 4.34-29 17-21 5.40-34 20-25 6.45-40
7-11 7.31-27 14-20 8.29-23 18x29 9.34x14 10x19 10.40-34 5-10 11.44-40 10-14
12.50-45 4-10 13.46-41 19-24 14.36-31 1-7 15.49-44 13-19 16.34-30 25x34 17.39x30
8-13 18.41-36 24-29 19.33x24 20x29 20.43-39 2-8 21.39-33 19-24 22.30x19 13x24
23.27-22 24-30 24.35x24 29x20 25.31-27 8-13 26.28-23 12-17 27.33-28 7-12
28.38-33 12-18 29.23x12 17x8 30.36-31 20-25 31.48-43 14-20 32.43-39 20-24
33.40-34 10-14 34.45-40 24-30 35.42-38 30-35 36.47-42 14-20 37.34-29 20-24
38.29x20 25x14 39.40-34 14-20 40.44-40 35x44 41.39x50 9-14 42.50-44 3-9 43.44-40
20-25 44.28-23 13-19 45.33-28 8-12 1-1
Na eerdere successen tegen Cees Rijkaart en Peter van der Stap wilde ik de
opening 1.32-28 17-21 ook wel eens een keertje proberen tegen Anton. De laatste
tijd ben ik tot de ontdekking gekomen, dat er een verschil is tussen de opening
1.33-29 17-21 en 1.32-28 17-21. Vijftien jaar geleden leerde Ton Sijbrands ons
(RDG) dat het schema 1.32-28 17-21 2.33-29 20-25 3.39-33 21-26 4.44-39 16-21
5.37-32 26x37 6.42x31 21-26 7.47-42 26x37 8.42x31 een goede manier is om in de
aanval te komen. Ook in de variant 1.32-28 17-21 2.33-29 21-26 raadde hij ons
aanvankelijk een dergelijk schema aan. Maar sinds Evert Bronstring met zwart
eens de stelling klassiek wist te maken, is het enthousiasme voor deze aanpak
enigszins geluwd.
In de variant met 1.32-28 17-21 beschikt wit over een extra mogelijkheid, die in korte tijd een half dozijn keren in mijn partijen op het bord is gekomen. Ook Anton speelt het volgens deze nieuwe inzichten, maar wist er een origineel tintje aan te geven. Een eerste vraagstuk in de opening 1.32-28 17-21 2.33-29 20-25 3.39-33 is of zwart wel naar de rand moet gaan. Talrijk zijn de gevallen, waarin wit met 3...21-26 4.37-32 26x37 5.42x31 de tempowinst pakte zonder de prijs daarvoor te willen betalen.
De laatste tijd heb ik meerdere malen het idee 3...11-17 geprobeerd. Het is de
bedoeling 4.31-26 uit te lokken. Wanneer wit consequent weigert, dan heeft hij
na 4.44-39 6-11 5.50-44 1-6 6.37-32 21-26 geen tempo om te laten slaan. Zwart is
uiterst tevreden als hij in deze opening diagram 1 weet te bereiken. Maar goed
staan is een ander begrip. In de partij speelde ik slordig 6...7-11, waardoor de
ruilen niet meer uit de stand waren te houden. Tegen Hans vermin kreeg ik
onlangs 6...6-11 7.50-45 1-6 8.31-27 19-23 9.28x19 14x23 10.33-28
voorgeschoteld. Maar ook gewoon 10.35-30 lijkt goed speelbaar voor wit.
Diagram 3 is een veel voorkomende stand (131 keer). Het lijkt alsof zwart een tempoprobleem heeft. In 85 ervan volgde 8...14-20 9.29-23 19x29 10.34x14 10x19 en de witte lange vleugel staat klem zonder de schijf op 47.
Cees Rijkaart en Peter van der Stap en vele anderen (60) gingen verder met 11.40-34 5-10 12.44-40 10-14 13.49-44 4-10 (diagram 4). Slechts tien spelers ontdeden zich van het aanknopingspunt 35 met de ruil 11.35-30x29. Beide heren werden volgens het recept van Bronstring door het centrum gedreven. De een verloor min of meer de schijf op 23. De ander kwam in een fatale lange vleugel opsluiting terecht:
Stap,van der,P. - Luteijn,F. NLD-ch qf4, 27-04-1984
14.34-29 20-24 15.29x20 15x24 16.40-34 24-30 17.35x24 19x30 18.45-40 10-15
19.31-27 14-20 20.28-23 11-17 21.36-31 30-35 22.32-28 21x32 23.38x27 20-24
24.42-38 24-30 25.41-36 9-14 26.27-21 16x27 27.31x11 6x17 28.37-32 14-20
29.32-27 13-18 30.46-41 18x29 31.34x23 8-13 32.27-22 3-8 33.22x11 7x16 34.28-22
12-17 35.22x11 16x7 36.41-37 7-12 37.36-31 13-18 38.23-19 20-24 39.37-32 26x28
40.33x13 24-29 41.39-33 30-34 42.33x24 34x45 43.13-9 45-50 44.44-40 35x44 45.9-3
44-49 46.19-14 50-33 47.38x29 49x5 48.3-9 5-14 49.9x20 25x14 50.29-23 8-13 X
De witte stand is na 20...23-28 vrijwel niet meer te spelen. 20...11-17 zet de stand op scherp. Het ruiltje 21.32-28 21x32 22.38x27 is verhinderd door 13-19, 26-31 en 17-21x23 met schijfwinst. Na 22.34-29 (diagram 6) volgt 13-19, 17-22x45 X. Op 22.33-29 13-18 23.39-33 8-13 24.43-39 (anders 13-19, 25-30 en 17-22x45) 9-14 25.41-36 3-9 26.48-43 6-11 27.46-41 2-8 X. Het verloop van de partij Rijkaart - Luteijn is nog erger. Wit komt zelfs niet eens meer in de buurt van een dam.
Rijkaart,C. - Luteijn,F. NLD-ch qf4, 12-05-1984
14.31-27 20-24 15.36-31 24-30 16.35x24 19x30 17.33-29 30-35 18.38-33 14-20
19.43-38 10-14 20.41-36 14-19 21.29-23 19-24 22.34-29 24-30 23.40-34 20-24
24.29x20 15x24 25.45-40 13-18 26.28-22 18x29 27.34x23 11-17 28.22x11 6x17
29.33-28 8-13 30.23-18 13x33 31.38x20 25x14 32.40-34 12-18 33.34x25 7-12
34.42-38 17-22 35.38-33 14-20 36.25x14 9x20 37.48-43 3-9 38.39-34 9-14 39.43-39
14-19 40.44-40 35x44 41.39x50 19-23 42.33-29 2-8 43.50-45 20-25 X
Beide heren besteedden geruime tijd aan de opening, daardoor had ik de tijd om mij zorgen te maken over alternatieven mogelijkheden als 14.33-29. Na de partij keken de heren of ik niet goed bij mijn hoofd was. Het probleem is 14...19-24 15.38-33 13-19 16.28-23 19x28 17.32x23 12-17 18.31-27 21x32 19.37x28 9-13 20.36-31 26x37 21.41x32 13-19 22.23-18 en het was mij niet helemaal duidelijk hoe het nu verder moest. Zwart kan een schijf winnen via 22...3-9 23.42-37 8-13 maar raakt dat weer kwijt na 28-23x23 en 34-30x19 met positionele puinhoop.
Dit is de stand na 12 zetten. Anton heeft het in diagram 9 aanmerkelijk beter gedaan, dan beide bovenstaande heren. Toch is het niet echt eenvoudig voor wit. Het ruiltje 13.37-31 26x37 14.42x31 21-26 15.47-42 26x37 16.42x31 11-17 wint enorm veel tempi, maar beschadigt de mooie opstelling van wit aan de lange vleugel behoorlijk. Zwart gaat weer naar veld 21 als hij de kans krijgt. De witte aanval stelt dan weinig voor. De wat vreemde zet 6...7-11 krijgt zo een functie.
De vondst
13.46-41 vond ik indertijd buitengewoon mooi en bedreigend. De lange vleugel opsluitingen,
die ontstaan zijn economischer, dan dia na 47-41 en 36-31 van de voorgaande
partijen. Het verdere verloop echter ontgaat mij enigszins na zo'n twintig jaar.
In de partij en tijdens analyses werd 13...19-24 gespeeld. Veel logischer lijkt
13...20-24.
De uitval 14.28-23 19x28 15.32x23 21x32 16.37x28 kost na 16...13-18 gewoon een schijf (34-29 geeft 25-30x25 X). Na 14.36-31 24-30 15.35x24 19x30 16.41-36 30-35 17.34-29 35x44 18.49x40 wordt wit door het centrum gedreven. In de partij krijgt wit de gelegenheid tot de ruil 34-30x30. De achterloop 17...20-25 in diagram 10 biedt de mogelijkheid 18.27-22 en 19.31-27. Hoewel schijf 35 dan een aanknopingspunt blijft voor de omsingeling.
In diagram 11 is het de witspeler, die een steekje laat vallen. De grote afwikkeling, die hij hier forceert blijkt hem onvoldoende voordeel te geven. In deze situatie heeft wit baat bij een uitwisseling van de schijven op de eigen korte vleugel tegen die van de zwarte lange vleugel. Hij zou dit kunnen bereiken via 18.30-25 24-29 19.33x24 20x29 20.43-39 2-8 21.38-33 29x38 22.42x33 19-23 23.28x19 14x23 24.49-34 10-14 25.33-28 13-19 26.34-29 23x34 27.40x29 19-24 en de zwarte lange vleugel heeft nog maar een klein zetje nodig om in elkaar te zakken. De oneconomische lange vleugel opsluiting wordt dan een probleem voor de omsingelaar.
Veel minder daarentegen is het voor de hand liggende plan 18.30-25 24-29 19.33x24 20x29 20.44-39 2-8 21.39-33 19-23 22.33x24 12-17 23.28x19 14x23 en zwart krijgt het geofferde stuk met rente terug. Truus daarentegen wil 18.30-25 12-18 spelen. Na 19.41-36 komt wit daarna altijd met voordeel los.
De bevrijding uit de partij met 23.27-22 lijkt leuk. Maar zoals Gantwarg zegt van een lange vleugel opsluiting met veel 'íjs' voor zwart, krijg je een stelling, waarin de zwarte stukken weer helemaal tot leven komen. Het is gek dat de bevrijde stelling met een Ghestemdoorstoot veel minder stoorkracht lijkt te hebben, dan de opgesloten stand. Tijdens de masterclass in Delft 2007 heeft Gantwarg het regelmatig over het vraagstuk of een massa schijven ergens in bijt of er langs glijdt als 'íjs'.
Wit
staat in diagram 12 ogenschijnlijk schitterend en dreigt zich over veld 18 te bevrijden. Tot nog
toe heeft zwart dat weten te voorkomen door voortdurend 8-13 gevolgd 11-17-22
bij de hand te houden. Het uittellen van de stand leerde dat verder spelen met
de schijven 13, 15 en 20 faalt op de opmars 50-44-40-35 met beslissende
tempodwang. Schijf 3 moet meedoen anders wordt het niets. Daarom speelde ik
41...9-14.
Dat laat een zet lang de ontsnapping 22-18x18 toe. Anton onderkende dit niet en kwam na 42.50-44 3-9 43.44-40 20-25 44.28-23 13-19 45.33-28 8-12 46.38-33 11-17 tot een volkomen gelijkwaardige remise.
Grappig is de afwikkeling 47.27-22 21-27 48.22x11 27x18 49.11-6 18-23? 50.6-1 23x41 51.1x46 26x48 52.40-35x4. Iets lastiger is 46.34-29 11-17 47.22x11 6x17 48.27-22 9-13 49.22x11 16x7 50.40-34 12-17 51.31-27 7-12; 26-31 en 17-22 =. Minder geslaagd is 46.34-29 11-17 47.22x11 6x17 48.27-22 15-20? 49.22x11 6x17 50.40-34 9-13 51.38-33 12-17 52.31-27 en de damdoorbraak met 7-12, 26-31 en 17-22 is erg gevaarlijk voor zwart.